Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.3.2
2.3.2 Wet op de bedrijfsbelasting 1893
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285411:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Ontwerp van wet van eener bedrijfs- en beroepsbelasting, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2, met als eindresultaat de Wet van 2 oktober 1893, tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten (Wet op de Bedrijfsbelasting 1893), Kamerstukken II 1892/93, 71, Stb. 1893, 149.
Art. 41 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2. In het Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 8 werd het artikel vernummerd naar art. 35 waarbij de strafbepalingen verhuisden naar art. 47.
MvT, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 3, blz. 21.
Vergelijk: Handelingen I 1893/94, blz. 77.
Handelingen II 1892/93, blz. 1179.
Handelingen II 1892/93, blz. 1498.
Kamerlid Gerritsen die suggereerde dat de leden van de Eerste Kamer – wellicht vanwege persoonlijke motieven – bezwaren hadden tegen de openbaarmaking van de kohieren van de vermogensbelasting, tegen openbaarmaking in de bedrijfsbelasting minder bezwaren zouden hebben (Handelingen II 1892/93, blz. 1498). Destijds behoorden veel leden van de Eerste Kamer tot de fiscale elite van voornamelijk adellijke en patricische families. Zie uitgebreider: Moes 2012.
Handelingen II 1892/93, blz. 1499.
Handelingen II 1892/93, blz. 1499.
Direct na de invoering van de Wet VB 1892 werd het Ontwerp van wet op de BB 1893 bij de Tweede Kamer ingediend.1 In dit wetsvoorstel was een strikte geheimhoudingsbepaling opgenomen die – inclusief de strafbaarstelling – nagenoeg identiek was aan de bepaling van (destijds) art. 47 Wet VB 1892.2 In de memorie van toelichting wordt dan ook kortweg verwezen naar de vlak daarvoor ingevoerde Wet VB 1892.3 Ook hier was het beginsel van geheimhouding een van de hoofdvoorwaarden voor de totstandkoming van de wet.4 Minister Pierson beargumenteerde de geheimhouding door te wijzen naar de Wet VB 1892 waarop werd voortgebouwd;5 het paste niet om een ander stelsel te huldigen. Hierbij gaf hij aan dat Engeland en Pruissen niet al decennialang aan geheimhouding zouden vasthouden als daaraan geen voordelen zouden zijn verbonden. Kritiek vanuit het parlement was er echter ook; als sprake was van een gemaakte fout door het stelsel van geheimhouding in de Wet VB 1892, moest deze eenmaal gemaakte fout bij de Wet op de BB 1893 dan maar worden voortgezet?6 Ook de opmerking dat ten aanzien van de aanslagen in de bedrijfsbelasting een andere maatstaf kon worden aangelegd dan bij de vermogensbelasting vond echter geen gehoor.7 Minister Pierson sprak over een res judicata waarbij hij verwees naar het verworpen amendement van Kamerlid Mees in de vermogensbelasting.8 Volgens Minister Pierson zou een koopman juist op niets meer prijsstellen dan op de geheimhouding van zijn bedrijfswinst.9