Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/4.4.2
4.4.2 Loon
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583343:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een en ander laat onverlet dat ook de niet-beroepsmatige opdrachtnemer loon kan bedingen. Wel zal het in dat geval aan de opdrachtnemer zijn om te bewijzen dat hij recht heeft op loon, zie Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/126. In de Memorie van Toelichting is hierover overigens opgemerkt dat indien sprake was van een opdrachtnemer die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, mocht worden verondersteld dat partijen niet bedoeld hadden te bedingen dat aan de opdrachtnemer loon verschuldigd was, zie Kamerstukken II 1982/83, 17779, nr. 3, p. 4 (Memorie van Toelichting).
De tekst van art. 7:406 BW is identiek aan de tekst van het Voorontwerp, zie Meijers & De Jong 1972 (Voorontwerp NBW vierde gedeelte: tekst), p. 284. Zie tevens: paragraaf 3.4.2.3.
Wel is in art. 7:406 BW nog een regeling opgenomen inzake schadevergoeding, stelt art. 7:408 BW regels omtrent opzegging en regelt art. 7:411 BW het recht op loondoorbetaling bij het voortijdig eindigen van de opdracht. Deze bepalingen regelen echter meer de materiële verhouding tussen partijen en stellen niet zozeer vereisten aan de vorm van het loon.
Artikel 7:400 BW vereist voor het kunnen aannemen van een overeenkomst van opdracht niet dat partijen zijn overeengekomen dat aan de opdrachtnemer enige vorm van beloning verschuldigd is. Hoewel artikel 7:405 lid 1 BW wel bepaalt dat loon verschuldigd is indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, betekent dit niet dat bij gebrek daaraan geen sprake van een opdrachtovereenkomst kan zijn. De definitiebepaling noemt dit element immers niet als constitutief vereiste. Het bepaalde in artikel 7:405 lid 1 BW brengt enkel met zich dat de bewijslast terzake de verschuldigdheid van loon aan de professionele opdrachtnemer bij de opdrachtgever ligt.1
Titel 7.7 BW bevat verder slechts een beperkt aantal bepalingen omtrent het loon in het kader van de overeenkomst van opdracht. Wanneer afspraken over de hoogte van het loon ontbreken, bepaalt lid 2 van artikel 7:405 BW dat de opdrachtgever het ‘op de gebruikelijke wijze berekende loon’ (of bij gebreke daaraan: een ‘redelijk loon’) aan de opdrachtnemer verschuldigd is. Verder bepaalt artikel 7:406 BW dat de opdrachtgever de aan de opdracht verbonden onkosten aan de opdrachtnemer moet vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.2 Voor het overige bevat titel 7.7 BW geen regels over de vorm van de beloning of de wijze waarop de beloning in het kader van de overeenkomst van opdracht moet worden voldaan.3