Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.7
2.2.7 De Pacificatiecommissie en artikel 23 Gw
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977177:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staatscommissie-Heemskerk, ingesteld bij KB van 24 maart 1910, Stb. 1910, nr. 16.
KB van 31 december 1913, no. 10, Stcrt.1914, nr. 1, A.F. de Savornin Lohman, De pacificatie, Amsterdam: Wormser 1889 en De Jong 2017, p. 31-33. D. Bos was lid van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB).
D. Langedijk 1935, p. 19, C. Rullmann 1928 en Drop 1985, p. 162-163.
De Staatscommissie-Oppenheim is in november 1913 ingesteld. Het verslag verschijnt in 1914; vgl. A. Bos e.a., Een sprong in het duister, Den Haag: BZK 2005, p. 114 e.v.
Wetten van 29 november 1917, Stb. 1917, nrs. 660-662; KB 29 november 1917, Stb. 1917, nr. 663 (Afkondiging); vgl. Rijnbende (eindred.) 1992.
Burkens 1969, p. 3-4, 17, noot 3 (Op het terrein van het kiesrecht blijven bezitsverhoudingen lange tijd van invloed op burgerschap: census is het criterium); Bureau Vrouwenbelangen: 1974 en Mentink & Vermeulen, in: Koekkoek (red.), p. 246.
Vgl. R. Fraanje 2015, p. 26-28, De Jong 2017, p. 187 e.v. en J.D. Snel, ‘De Bevrediging van 1917’, CDV Winter 2017, p. 24-25.
Vgl. Diepenhorst 1927.
Vgl. Rijke 2019.
1913: Pacificatiecommissie-Bos en Kiesrechtcommissie-Oppenheim
Ten langen leste is, mede als een tegemoetkoming aan de christelijke partijen, en na een tevergeefse poging door de Staatscommissie-Heemskerk (advies over uitbreiding kiesrecht en het grondwettelijk onderwijsartikel) in 19121, wordt in 1913 door de liberale premier Cort van der Linden de Pacificatie- of Bevredigingscommissie-Bos ingesteld (Staatscommissie subsidiëring van het onderwijs), met het oog op het ontwikkelen van voorschriften voor rijksbekostiging voor lager onderwijs.2 Historicus Langedijk ziet hierin ‘de deugdelijkheid en krachtige vooruitgang verzekerd, onder behoud van de opvoedkundige zelfstandigheid van het bijzonder lager onderwijs’.3 In 1913 is ook de commissie-Oppenheim ingesteld om te adviseren over de invoering van het algemeen kiesrecht en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij landelijke verkiezingen.4 Het algemeen kiesrecht en de bekostiging van het bijzonder lager onderwijs zijn politiek verbonden in de Pacificatie, zoals in de Grondwet van 1917 is vastgelegd.5
Financiële gelijkstelling en algemeen mannenkiesrecht 1917
De commissie-Oppenheim bereikt consensus over de invoering van het algemeen mannenkiesrecht, het passieve vrouwenkiesrecht en het vervallen van het censuskiesrecht.6 Er komt daarnaast een voorstel tot herziening van artikel 192 Grondwet van 1917 en een ontwerp ter vervanging van de vigerende LO-wet. Met het vastleggen van artikel 192 lid 7 Gw van 1917 is de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder lager onderwijs gevestigd.7 De LO-wet van 1920 werkt artikel 192 Gw van 1917 nader uit en treedt op 1 januari 1921 in werking.8 Het huidige artikel 23 Gw over de vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling, waarop de LO-wet van 1889 preludeert, dateert dus grotendeels uit 1917. Dit artikel is van belang voor de legitimatie en ruimte die de wetgever toekomt in het vastleggen van technische voorschriften.9 Na deze schets van de institutionele wetsgeschiedenis zal ik ingaan op de betekenis en ontwikkeling van het staats- en maatschappelijk burgerschap.