Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.5
2.2.5 Zestiende, zeventiende en achttiende eeuw: landsheerlijk burger
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977371:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staten: Etats of Stenden/Standen (adel, geestelijkheid en steden).
Het betreft acht vérgaand soevereine eenheden -verbonden door de standhouder(s) en de Staten-Generaal- die primair op het terrein van defensie en internationale betrekkingen samenwerken, en Fruin 1901, p. 109-110.
H. Battjes, ’Unie van Utrecht (1579)’, in: Battjes & Vermeulen (red.), 2007, p. 32, S. Munneke, ‘Plakkaat van Verlatinge (1581)’, in: Ibid. 2007, p. 51-68 en Ten Houte de Lange & Van der Burg, Heerlijkheden in Nederland Hilversum: Verloren 2008, p. 18-20.
Van der Pot 1949, p. 48-49; zie: J. Baalbergen e.a. (red.), Op weg naar één land. De Unie van Utrecht en de Opstand in de Nederlanden, s-Gravenhage: Su 1979, P. Meijer, Van opstandige gewesten tot zelfstandige republiek, Den Haag: Su 1979, Lokin & Zwalve 2014, p. 345-346, 351 en Israel 1995, p. 35-36.
Tekst is te vinden bij: De Boer & Sap 2007 en Sneller 1929, p. 10.
R. Fruin 1901, p. 169.
Vermeulen 1989, p. 57, 64, Bondt 1756 en Paulus 1775-1778.
Battjes & Vermeulen 2007, p. 40.
Battjes 2007, p. 43, 49; Vermeulen 1989, p. 57.
Van der Grinten 1934, p. 5-18 en Voermans & Waling 2018, p. 36.
Ibid., p. 38.
Van Deursen & De Schepper 1984.
Zie: A.R.M. Mommers, Brabant van Generaliteitsland tot Gewest, deel 2, Utrecht: DV 1953.
E.J. Kuiper, De Hollandse ‘Schoolordre’ van 1625, (diss. GUA), Groningen: Wolters 1958.
Vermeulen 1992, Baalbergen 1979, p. 102, 117, 133 en Kloek & Mijnhardt, ’De verlichte burger’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 155.
Th. Holterman, ‘Burgerschap tussen acte van burgerschap en inburgeringscontract’, in: Twee eeuwen grondwetgeving in Nederland. Preadviezen Staatsrechtconferentie 1996, Deventer: Kluwer 1997, p. 27-55.
Kloek & Mijnhardt 2002, p. 156, S. Schama, Patriotten en bevrijders. Revolutie in de noordelijke Nederlanden, 1780-1813, Amsterdam: Agon 1989 en Rosendaal 2005.
B. Vermeulen, ’Déclaration des droits de lhomme et du citoyen’, in: Battjes & Vermeulen (red.) 2007, p. 103-113, B.P. Vermeulen 2007, p. 37, Lamberts, Tegenwicht, de katholieken en de staat. Een historische reflectie. Jan Roeslezing 2019, Nijmegen: Valkhofpers 2019, p. 15 en M. Prak, Stadsburgers. Stedelijk burgerschap voor de Franse Revolutie, Amsterdam: 2019.
A.A. Wesselingh, ’Emile Durkheim, Burgerschap en onderwijs’, in: P. Dijkstra e.a. (red.), ‘Onderwijs in de tijd’, MM 1992, 67, p. 46-55, H.M. Beliën e.a. (red.), Nederlanders van het eerste uur, Amsterdam: Bakker 1996 en Grijzenhout e.a. (red), Voor vaderland en vrijheid. De revolutie der patriotten, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw 1987.
Vgl. M. Siegenbeek, Schets eener geschiedenis van den Oud-Nederlandschen staat, van den aanvang der Grafelijke regering van Filips van Bourgondië, of het jaar 1433, tot aan de slooping van dien Staat door den inval der Franschen, in het begin van het jaar 1795, met eene inleiding over de vroegere staatsgesteldheid en geschiedenis der zeven, later, door de Unie van Utrecht, Vereenigde Gewesten, Leiden: Luchtmans 1839.
Landsheerlijk gewestelijk burgerschap
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1581-1795) kent als statenbond1 geen nationaal burgerschap.2 Burgers zijn gewestelijke ingezetenen en genieten, afhankelijk van de heersende landsrechten, ‘particulier en spetiael privilegien’ als voorrechten.3 Karel V wenste dit costumiere recht rond 1540 op te tekenen, maar de burgers gingen vooralsnog daartoe niet op grote schaal over.4
Unie van Utrecht 1579
De Unie van Utrecht (1579) ,5 ‘de origineele Grond-constitutie van deeze Republicq’6 en het Placcaet van Verlatinge (1581) gaven een staatkundige grondslag aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.7 De in 1549 in de Pragmatieke Sanctie vastgelegde eenheid van de Nederlanden hield de zeventien provincies bij elkaar (artikel 1 van de Unie van Utrecht).8 De vrijheid van consciëntie (gewetensvrijheid) in artikel XIII van de Unie is ‘een van de eerste codificaties van de mensenrechten in een juridisch document’ en zou met de Staatsregeling van 1798 verbreden tot godsdienstvrijheid.9
Placcaert 1581: nieuw burgertijdperk met verbond van adel en burgers
In 1581 verschijnt het driedelige Placcaert van de Staten Generaal vande gheunieerde Nederlanden, waarin ‘men verklaert den Coninck van Spaegnien vervallen vande Overheyt ende Heerschappije van deze voorzz. Nederlanden’ (Leyden 1581).10 Een nieuw burgertijdperk gaat van start: een verbond van adel en burgers besluit de vorst collectief af te wijzen.11 Eerst vanaf 1588 is de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden confederatief ingericht.12 De codificatie van de burgerlijke rechten en plichten blijft in de zeventiende en achttiende eeuw in handen van de gewestelijke staten. De aristocratie had van oudsher de macht in Europa, maar in deze periode verkrijgt de bourgeoisie, de gegoede burgerij, geleidelijk aan de meeste macht. De Staats-Brabantse steden en de edelen hebben bij meer gelegenheden tevergeefs geprobeerd om dezelfde rechten te verkrijgen als de steden en de edelen van de provinciën van de Republiek.13 De Generaliteitslanden als Staats-Brabant, Staats-Vlaanderen en Opper-Gelre met hun tweederangs ingezetenen blijven, afgezien van ‘de rechten van de bijzondere heren’, onder Haags soeverein gezag staan én dienen zich aan de regelgeving van de Republiek te houden. Dit verandert als met de Bataafse omwenteling in 179514 het begrip ‘égalité’ (1789) ingang vindt.15
Staatsburger in de Bataafse Republiek 1795: constitutioneel burgerschap
Met de komst van de Bataafse (niet: Nederlandse) Republiek in 1795 krijgt het burgerbegrip als constitutioneel burgerschap een nieuwe politieke dimensie.16 Het ontwikkelt zich van gewestelijk burger naar staatsburger.17 Engeland is ons hierin met de Glorious Revolution (1688) - die aan de basis stond van de burgerrechten in de Bill of Rights (1689) - voorgegaan. Aan het einde van de achttiende eeuw verandert Frankrijk, waar tijdens de Franse Revolutie (1789) burgerschap een nieuwe betekenis krijgt met de leuze Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, in een seculiere staat.18 De Franse Revolutie leidt tot een ontwikkeling in het Franse onderwijs met een opvoeding tot het nationaal burgerschap en de vaderlandsliefde.19 In de Lage Landen begint met de komst van de Bataafse Republiek in 1795 eenzelfde unitarische ontwikkeling in het denken over de door het Uitvoerend Bewind te bevorderen staats- en natievorming door het collectief van (staats)burgers.20