Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.4:7.3.7.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.4
7.3.7.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611432:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt. 1992, 230, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 27 april 2005, nr. 05M474365, Stcrt. 2005, 87.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op het vorenstaande, zou ik de contouren van het begrip ‘belang’ als volgt willen omschrijven, waarbij het open karakter van dit antiontgaansbegrip wordt gerespecteerd:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat overheersende zeggenschap en een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam. Niet alleen een aandelenbelang vormt een ‘belang’, maar ook andere rechten, zoals zeggenschapsrechten en schuldeisersbelangen, en deelname aan de leiding.
Ten aanzien van een aandelenvennootschap wordt een ‘belang’ aanwezig geacht bij het bezit van 33'/3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal en de daaraan verbonden stemrechten.
Hierbij gaat het om het daadwerkelijke ‘belang’ zoals is toegelicht met betrekking tot art. 4 lid 3 WBR. Dat wil zeggen, dat een aandelenbezit dat economisch kan worden gelijkgesteld met een geldlening, zoals preferente aandelen of aandelen zonder stemrecht, geen ‘belang’ vormt. Een aandelenbezit van minder dan 33'/3% kan echter toch een ‘belang’ zijn, indien aan deze aandelen ten minste een derde gedeelte van de zeggenschap is verbonden.
De belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, kunnen zelf ook een ‘belang’ vormen en tellen als zodanig eveneens mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit opzicht wijkt dit verbondenheidsbegrip af van het fiscale begrip ‘concern’ waarvan ik in paragraaf 7.3.3 de contouren heb geschetst, maar dit past naar mijn mening bij de antiontgaansfunctie.
Bovengenoemde veronderstelling van de aanwezigheid van een ‘belang’ op basis van een aandelenbezit dient om duidelijkheid te bieden in ‘standaardsituaties’ ten aanzien van aandelenvennootschappen, waarin bijvoorbeeld geen sprake is van zeggenschap op basis van overeenkomsten en alleen een aandelenband bestaat. In verband met de antiontgaansfunctie staat de feitelijke, materieel-economische benadering echter voorop. In gevallen die afwijken van de standaardsituaties, bijvoorbeeld omdat sprake is van een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal of omdat er krachtens een managementovereenkomst feitelijke zeggenschap en beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend zonder dat er een aandelenband is, kan ook een ‘belang’ bestaan.
Belastingplichtigen krijgen de mogelijkheid om de fiscus vooraf zekerheid te vragen over de aanwezigheid van een ‘belang’ en verbondenheid.
In het kader van deze verduidelijking van de term ‘belang’ dient de omschrijving van de verbonden personen in art. 10a lid 4 onderdeel c Wet VPB 1969 te worden verscherpt. Naar mijn mening moeten ongehuwde samenwoners die niet voldoen aan de voorwaarden van het partnerschap, ook tot de kring van verbonden personen worden gerekend. Deze uitbreiding past in de antiontgaansfunctie, en kan worden gerealiseerd door het begrip ‘levensgezel’ te hanteren. In dit verband wijs ik op de in hoofdstuk 5 genoemde ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’, waarin in Aanwijzing 72a lid 1 eveneens de term ‘levensgezel’ wordt gebruikt voor ongehuwde partners1.