Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.3:7.3.7.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.3
7.3.7.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606618:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 6, p. 14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening heeft de term ‘belang’ een rechtsvormneutrale betekenis. Dit blijkt ook uit de hiervoor aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis, waarin is bevestigd dat het niet alleen gaat om vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal. Het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 lijkt daarom ook rechtsvormneutraal.
Vanwege de gelijkstellingen van ongehuwde samenwoners met gehuwden en geregistreerde partners, en van stief- en pleegkinderen met ‘eigen’ kinderen, lijkt art. 10a lid 4 onderdeel c Wet VPB 1969 ook neutraal ten aanzien van de gekozen samenlevingsvorm. Deze neutraliteit zou echter kunnen worden verbeterd door ongehuwde samenwoners die niet hebben gekozen voor het partnerschap, ook tot de kring van verbonden personen te rekenen. Voorts zou voor ongehuwde samenwoners een tegenbewijsmogelijkheid moeten worden geïntroduceerd.
Het begrip ‘belang’ in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 heeft het karakter van een open norm, waarvan de inhoud en de reikwijdte onduidelijk is. Hoewel ik dit in beginsel gerechtvaardigd vind op basis van de antiontgaansfunctie, vind ik het begrip thans te onduidelijk. In de wetsgeschiedenis is zo nu en dan een fragmentarische toelichting gegeven op het begrip, maar een compleet beeld van hetgeen in elk geval als een ‘belang’ moet worden beschouwd, ontbreekt. Daarbij komt dat de verschillende toelichtingen niet op elkaar aansluiten. Hiervoor is gewezen op de mening van de Staatssecretaris van Financiën dat bij het bepalen van de omvang van het ‘belang’, naast deelname in het kapitaal ook een schuldverhouding die fiscaalrechtelijk als kapitaal wordt behandeld in aanmerking kan worden genomen. Dit geldt ook voor een hybride geldlening. Ik vind het dan ook verbazingwekkend dat in de toelichting op art. 4 lid 3 en 4 WBR is gezegd dat het gelijknamige begrip ‘belang’ voor de overdrachtsbelasting uitsluitend betrekking heeft op een belang in het aandelenkapitaal, en in beginsel niet ziet op opties of converteerbare obligatieleningen.1 Bij een letterlijke lezing zijn deze verschillende toelichtingen niet per se tegenstrijdig, maar zij sluiten ook niet op elkaar aan. Dit vind ik onnodig verwarrend. Het wordt nog complexer indien men bedenkt dat hetzelfde begrip ‘belang’ in art. 40 lid 4 INV 1990 op weer een andere wijze is omschreven, namelijk als de gerechtigdheid tot het vermogen of het resultaat. Gelet op de antiontgaansfunctie van het begrip ‘belang’ is enige onduidelijkheid en flexibiliteit gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk. Echter, zonder afbreuk te doen aan deze vereiste flexibiliteit acht ik het mogelijk dat de contouren van het ‘belang’ duidelijk worden. Hierbij speelt ook een rol dat dit begrip in andere belastingen exact dezelfde functie heeft, zodat een eenduidige interpretatie naar mijn mening voor de hand ligt. Voorts is het naar mijn mening gepast om belastingplichtigen niet aan hun lot over te laten met betrekking tot de vraag of zij ‘verbonden’ zijn met een lichaam. De antiontgaansfunctie komt nog steeds tot haar recht indien zij de mogelijkheid krijgen om hierover vooraf zekerheid te verkrijgen, zoals dat thans ook mogelijk is ten aanzien van het antimisbruikbegrip in art. 8b Wet VPB 1969.