Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.2:7.3.7.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.7.2
7.3.7.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609045:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitkomst van een vergelijking van de term ‘belang’ met de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht is mede afhankelijk van de vraag of deze term formeel of materieel moet worden ingevuld. Indien men kiest voor een formele invulling, en alleen waarde hecht aan een aandelenbelang maar niet aan zeggenschap, moet worden geconcludeerd dat dit niet overeenstemt met de omschrijving van verbondenheid in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht. Wordt echter voor een materiële interpretatie gekozen waarbij zeggenschap ook een rol speelt, bestaat er misschien iets meer overeenstemming. In dit verband vind ik het echter vreemd dat deelname in de leiding volgens de wetsgeschiedenis geen criterium is voor de vraag of sprake is van een ‘verbonden lichaam’. Hiermee lijkt uiteindelijk geen grote rol toebedeeld aan organisatorische verbondenheid. Aan economische verbondenheid wordt in het geheel geen aandacht besteed. Zelfs bij een materiële interpretatie lijkt het begrip ‘belang’ daarom te moeten worden beschouwd als een criterium dat vooral uitgaat van financiële verbondenheid. Zoals eerder is opgemerkt, duidt de zeggenschap die is verbonden aan een aandelenbelang of lidmaatschap, niet zonder meer op organisatorische verbondenheid, omdat het niet gaat om een rechtstreekse beïnvloeding van het ondernemingsbeleid. Om die reden sluit het begrip ‘belang’ niet goed aan bij de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht.
In de voorwaarden van het besluit van 15 december 1997, nr. DB97/4084M, BNB 1998/122, herken ik daarentegen wel het onderscheid tussen een concern en een conglomeraat. Immers, er wordt waarde gehecht aan het feit dat er wel een aandelenband bestaat, terwijl centrale leiding en economische eenheid ontbreken. Naar mijn mening wordt in het besluit de keuze voor niet-verbondenheid op een juiste wijze benaderd. Het valt mij echter wel op dat de organisatorische en economische verbondenheid op basis van de elementen ‘centrale leiding’ en ‘economische eenheid’ nu via een omweg in de regeling zijn geïncorporeerd.
De begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden persoon’ in art. 10a Wet VPB 1969 roepen associaties op met de term ‘verbonden partij’ in de zin van RJ 330. Zoals in hoofdstuk 3 is beschreven, wordt de verbondenheid tussen partijen in het jaarrekeningenrecht aanwezig geacht op basis van ‘overheersende zeggenschap’ en ‘beleidsbepalende invloed’. Hierbij speelt feitelijke organisatorische verbondenheid een belangrijke rol. Naar mijn mening zijn deze criteria veelzeggender dan de term ‘belang’.
Voor de toepassing van art. 10a lid 4 onderdeel c Wet VPB 1969 worden belangen van de echtgenoot, geregistreerde partner en de ongehuwde samenwoner kan kwalificeren als ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001 toegerekend aan de ‘derde’, om te beoordelen of sprake is van verbondenheid. De belangen van ongehuwde samenwoners die niet voldoen aan de voorwaarden van art. 1.2 Wet IB 2001 worden echter niet samengeteld. Dit sluit naar mijn mening niet aan bij de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid. Overigens zou vanwege het eerdergenoemde, hogere relatieontbindingsrisico van ongehuwde samenwoners kunnen worden overwogen om hen met enige reserve aan te merken als ‘verbonden persoon’. Hiertoe zou bijvoorbeeld een tegenbewijsmogelijkheid kunnen worden geentroduceerd. biologisch, juridisch of sociaal bloedverwantschap. Uit de algemene definitie van art. 2 lid 3 onderdeel i AWR kan echter worden afgeleid dat bij de term ‘kind’ is gedoeld op juridisch bloedverwantschap. In deze bepaling wordt immers gesproken van de ‘eerstegraads bloedverwant en de aanverwant in de neergaande lijn’, hetgeen aansluit bij de terminologie van art. 1:3 BW. Op basis hiervan kent het begrip ‘kind’ in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 een ruime invulling. Het omvat zowel ‘eigen’ kinderen, adoptiekinderen, erkende kinderen, stiefkinderen als pleegkinderen. Voorts lijkt ook een kind van de partner met wie de belastingplichtige ongehuwd samenwoont als ‘kind’ te worden beschouwd. Door deze ruime invulling is de bepaling naar mijn mening in overeenstemming met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid van samenlevingsvormen en gezinssituaties, en met het personen- en familierecht.