Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.1
7.1 Inleiding
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Nijboer 2011, § 1.6 en Simmelink 2001, p. 396.
Voor het aannemen van een strafuitsluitingsgrond is niet dezelfde mate van zekerheid vereist als bij het bewijs van het tenlastegelegde. De aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond hoeft slechts aannemelijk te zijn geworden. Bij de strafmaat daarentegen mag – ten nadele van de verdachte – rekening worden gehouden met feiten die niet buiten redelijke twijfel en met behulp van bewijsmiddelen zijn komen vast te staan.
Zie Simmelink 2001, p. 396.
De resultaten van ongeoorloofde onderzoeksresultaten kunnen op grond van hun onrechtmatigheid buiten beschouwing worden gelaten met behulp van artikel 359a Sv en de resultaten van ondeugdelijke onderzoeksmethoden op grond van hun onbetrouwbaarheid. Zie op dit punt meer uitvoerig Dubelaar 2009.
Zoals in het eerste deel van dit boek naar voren kwam, onderscheidt de activiteit van het bewijzen binnen het strafproces zich niet wezenlijk van andere op empirie gerichte disciplines. Bewijzen is een interdisciplinaire activiteit en kan slechts ten dele worden genormeerd door het recht. De kaders waarbinnen bewijsmateriaal wordt vergaard en de bewijsbeslissing wordt genomen, verschillen echter wel per rechtsstelsel. In dit hoofdstuk worden de contouren van het Nederlandse wettelijke bewijsstelsel verkend als introductie op de volgende hoofdstukken, waar wordt ingegaan op de wijze waarop in het Nederlandse strafproces met getuigen en hun verklaringen wordt omgegaan. Het betreft echter meer dan een beschrijving van de wettelijke regels zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Met dit hoofdstuk wordt tevens beoogd de ontwikkelingen zichtbaar te maken die zich momenteel voordoen op het terrein van het Nederlandse bewijsrecht. Voor meer abstracte bespiegelingen over bewijs en bewijzen en de verschillende type bewijsstelsels wordt verwezen naar het eerste deel van dit onderzoek.
Tot het wettelijk bewijsstelsel worden in dit hoofdstuk gerekend de regels die betrekking hebben op het proces van bewijzen voor en door de rechter en de verantwoording van de genomen beslissing in het vonnis. Deze regels zijn neergelegd in de artikelen 338-344a, 350 lid 1 en 358-360 Sv. Hoewel de wetgever de motiveringsvoorschriften in een aparte afdeling heeft vastgelegd (onder het kopje beraadslaging), kunnen deze regels toch tot het wettelijk bewijsstelsel worden gerekend.1 In de continentale procestraditie zijn beslissen en motiveren immers sterk met elkaar verweven. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, geschiedt een belangrijk deel van de normering van de bewijsbeslissing in Nederland – net als in veel andere continentale jurisdicties – via de eisen die worden gesteld aan de motivering van de bewijsbeslissing. Opgemerkt moet nog worden dat de bewijsvoorschriften van artikelen 338-344a Sv alleen gelden voor de beslissing van de rechter ten aanzien van de vraag of het tenlastegelegde feit door verdachte is begaan (de eerste deelvraag van art. 350 Sv), maar niet voor de (feitelijke) vaststellingen die plaatsvinden ten behoeve van de andere deelvragen van artikel 350 (de aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond of de straftoemeting). Hiervoor gelden deels andere regels, zoals een lagere beslisstandaard,2 die in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing zullen worden gelaten.
De regels die zien op de wijze waarop het bewijsmateriaal dient te worden vergaard, vallen buiten het bestek van dit hoofdstuk. Vanuit de definitie van het strafproces als een voortgezet onderzoek met de bewijsbeslissing als voorlopig eindpunt, zou men regels die zien op de vergaring van informatie en de presentatie daarvan op de terechtzitting ook tot het bewijsrecht kunnen rekenen.3 Daarom is de volgende korte opmerking over de wisselwerking tussen de wettelijke bewijsregeling en het daaraan voorafgaande feitenonderzoek wel op zijn plaats. De wettelijke bewijsregeling is immers rechtstreeks van invloed op de eerdere fasen van het strafproces. Hoewel de beslissingsen motiveringsregels pas worden toegepast in de laatste fase van het onderzoek, nadat het onderzoek ter terechtzitting is afgesloten en de beraadslaging is begonnen, wordt hier eerder in de procedure vanzelfsprekend wel op geanticipeerd. Het onderzoek zelf is in belangrijke mate gericht op de te nemen bewijsbeslissing. Indien door de rechter strengere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van bepaalde informatiebronnen, dan zal daar in eerdere onderzoeksfasen rekening mee moeten worden gehouden. Net als rekening moet worden gehouden met de door de rechter te hanteren wettelijke bewijsminima (waarover meer in § 7.5). De politie die onderzoek verricht in een zaak waar het bewijs jegens de verdachte hoofdzakelijk berust op een anonieme getuigenverklaring, weet dat zij op zoek moet gaan naar aanvullend bewijs, omdat deze informatie alleen op grond van de bestaande bewijsminimumregels niet tot een veroordeling kan leiden. Daar komt bij dat door de rechter ter terechtzitting ook controle wordt uitgeoefend op de wijze waarop het onderzoek naar de feiten in de eerdere fasen van het strafproces is verricht. Indien de rechter van oordeel is dat zich tijdens het onderzoek onregelmatigheden hebben voorgedaan of dat het onderzoek kwalitatief onvoldoende is geweest, dan zal hij daarmee bij de selectie en waardering van het beschikbare bewijs rekening houden. Dit kan ertoe leiden dat bepaalde onderzoeksresultaten op grond van hun onrechtmatigheid of onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs zullen worden gebruikt.4 Er bestaat derhalve een duidelijke wisselwerking tussen de bewijsregeling en het daaraan voorgaande feitenonderzoek. Om die reden worden deze twee activiteiten in de literatuur ook wel tezamen besproken onder de noemer feitenonderzoek en bewijs.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Allereerst wordt een korte typering gegeven van het wettelijk bewijsstelsel als geheel (§ 7.2), waarna nader wordt ingegaan op specifieke onderdelen daarvan, te weten de omvang van de bewijsbeslissing (§ 7.3), de limitatieve opsomming van de wettige bewijsmiddelen (§ 7.4), de bewijsminima (§ 7.5), de functie van de rechterlijke overtuiging bij het nemen van de bewijsbeslissing (§ 7.6) en de omvang van de motiveringsplicht ten aanzien van de bewijsbeslissing (§ 7.7). Tot slot wordt nog kort stilgestaan bij het ontbreken van een juridische bewijstheorie (§ 7.8). De specifieke bepalingen die zien op de getuige en diens verklaring komen in het zesde en achtste hoofdstuk aan bod.