Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.6
7.6 Rechterlijke overtuiging en waarderingsvrijheid
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel men in dit soort gevallen kan afvragen waarop die overtuiging dan is gebaseerd.
Zie voor een uitvoerig overzicht Cleiren 2010.
Borgers bij HR 30 juni 2009, NJ 2009/496. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 10 maart 2008, LJN BC6068 (Kouwenhove), dat stelt ‘dat strafbare feiten slechts bewezen kunnen worden verklaard indien de rechter tot de overtuiging is gekomen dat de verdachte de hem verweten en specifiek omschreven feiten heeft begaan, dat wil zeggen: de rechter dit buiten redelijke twijfel als vaststaand aanneemt. Die overtuiging moet bovendien berusten op wettige en door de rechter als voldoende betrouwbaar beoordeelde bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden en ter terechtzitting ter discussie zijn gesteld’.
Nijboer 2011, § 2.5.3.
Cleiren 2010, p. 265.
Conclusie Knigge bij HR 2 februari 2010, LJN BJ7266, NJ 2010, 261. Zo bezien meent Knigge dat het eerder een belemmering is voor de waarheidsvinding dan een waarborg voor accurate beslissingen.
Vgl. Cleiren 2010, p. 261.
Corstens/Borgers 2011, § 16.12.
HR 7 april 1981, NJ 1981/399, r.o. 6.
Nijboer 2011, § 2.5.4
Naast de eis dat de rechter zijn beslissing dient te baseren op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, stelt de wet ook de eis dat de rechter op basis van deze bewijsmiddelen ‘de overtuiging heeft bekomen’ (art. 338 Sv). Is dit niet het geval, dan kan de rechter niet tot een bewezenverklaring komen. Het kan dus zo zijn dat is voldaan aan de wettelijke bewijsminima en bezien vanuit deze minima voldoende redengevend bewijsmateriaal voorhanden is, maar de rechter toch niet is overtuigd van het feit dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. In een dergelijk geval rest de rechter niets anders dan de verdachte vrij te spreken. Andersom moet de rechter die wel overtuigd is (in subjectieve zin), maar zich ziet geconfronteerd met een gebrek aan voldoende wettig bewijs, de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde.1 De vraag is echter wanneer hij een feit bewezen mag verklaren en welke functie de overtuiging daarin precies toekomt. De wet zwijgt op dit punt. In artikel 338 Sv valt wel te lezen waarop de rechter zijn overtuiging dient te baseren, maar niet wanneer hij zich overtuigd mag achten. Uit het beginsel in dubio pro reo volgt dat in geval van twijfel in het voordeel van de verdachte dient te worden beslist, maar daarmee is de functie van de rechterlijke overtuiging bij het nemen van de bewijsbeslissing nog niet gegeven.
Over de uitleg van het begrip overtuiging wordt in de Nederlandse literatuur verschillend gedacht.2 Sommige auteurs zien in de eis van de overtuiging een rechterlijk besliscriterium of bewijsstandaard. Zij leggen de overtuiging zo uit dat alleen tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, indien geen sprake is van redelijke twijfel.3 Zij oriënteren zich daarbij veelal op het Anglo-Amerikaanse besliscriterium beyond reasonable doubt. Zo vertaalt Nijboer de eis van de rechterlijke overtuiging als een zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid.4 Andere auteurs zien de rechterlijke overtuiging vooral als brug tussen het inductieve waarschijnlijkheidsoordeel en het categorische oordeel dat de rechter moet geven.5 Er zijn ook auteurs die menen dat de overtuiging geen zelfstandige functie toekomt in het Nederlandse strafproces of er vooral een ‘psychologisch criterium’ in zien, waarbij het gaat om de persoonlijke of innerlijke overtuiging van de beslisser.6
Het ontbreken van een expliciet besliscriterium kan worden gerelateerd aan het te hanteren waarheidsbegrip en proces van waarheidsvinding, zoals die in het eerste deel van dit onderzoek aan de orde zijn gekomen. In een systeem waar het vinden van materiële waarheid voorop staat en de premisse is dat de realiteit objectief te reconstrueren valt, is een besliscriterium niet echt nodig. Wanneer ‘waarheidsvinding’ meer wordt bezien als een proces van eliminatie van onzekerheid, dan ligt het werken met een besliscriterium en graden van waarschijnlijkheid (beyond reasonable doubt) meer voor de hand. Met de realisatie dat de rechterlijke bewijsbeslissing in de kern altijd mede een waarschijnlijkheidsoordeel behelst, zijn meer auteurs dit in het overtuigingsbegrip gaan lezen.7 Hoewel er weinig consensus bestaat over de precieze uitleg van het overtuigingsbegrip, bestaat er wel overeenstemming over het feit dat de rechter bij de aanwezigheid van redelijke twijfel niet tot een bewezenverklaring kan of mag komen. Absolute zekerheid is evenmin vereist om te komen tot een bewezenverklaring. Corstens stelt dat er meer moet zijn dan een waarschijnlijkheid, maar niet elke hoge onwaarschijnlijkheid als belemmering voor een bewezenverklaring dient te worden opgevat.8
Het gegeven dat de Nederlandse wet spreekt van de overtuiging van de rechter lijkt nog steeds ruimte te bieden voor een zekere subjectiviteit. Vooral daar het accent zeker in het verleden nog wel werd gelegd op de ‘innerlijke’ overtuiging. Dit in combinatie met het feit dat bezien vanuit het perspectief van cassatie de rechter vrij is in de selectie en waardering van bewijs, leidt nog wel eens tot misverstanden. De standaardformulering van de Hoge Raad met betrekking tot de selectie en waardering van bewijs luidt als volgt.
‘De feitenrechter is – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe gedienstig [mijn cursivering, MJD] voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.’9
Uit het voorgaande volgt echter niet dat de rechter zomaar uit de bewijsmiddelen mag kiezen wat hem ‘gedienstig’ voorkomt louter om het gewenste resultaat te bereiken – de term gedienstig is in dit verband dan ook niet zo gelukkig. Er is uitdrukkelijk geen sprake van een discretionaire bevoegdheid, zoals de rechter die bijvoorbeeld bij de sanctieoplegging kent.10 De rechter heeft weliswaar de vrijheid om als er vijf ontlastende getuigenverklaringen voorhanden zijn toch die ene belastende verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar alleen als hij op goede gronden voor zichzelf kan beredeneren waarom de vijf ontlastende verklaringen niet kloppen en aan die ene belastende verklaring wel gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht. Als het goed is, dwingt het bewijs de rechter dan ook in de richting van een bepaalde keuze. Indien dat niet het geval is, dan moet hij vrijspreken. Het feit echter dat de rechter juridisch vrij is in de selectie en waardering van het bewijs, betekent niet dat de beslissing geheel ongenormeerd is. Deze wordt – zoals in het tweede hoofdstuk duidelijk werd – alleen niet genormeerd door het recht, maar door algemene regels van methodologie en logica.