Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.5
7.5 Bewijsminima
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Dreissen 2009, § 1 en Damaska 1997, p. 21.
Het bijkomend bewijs moet de primaire bewijsbron ondersteunen of bevestigen. De mate van waarin steun is vereist, is afhankelijk van de kracht van de primaire bron.
HR 26 januari 2010, LJN BK 2094, r.o. 3.3, zie ook Borgers onder NJ 2009, 496, onder verwijzing naar Borst 1985, p. 24, 120-121, 239-241.
Indien dit een cruciaal onderdeel betreft dan volgt een algehele vrijspraak. Indien dit niet het geval is, dan kan dit onderdeel uit de tenlastelegging worden gestreept. Zie over de praktijk van het ‘strepen’ en de kritiek daarop hoofdstuk 12.
In de literatuur wordt gewezen op het behoorlijkheidsaspect dat met de in de wet opgenomen bewijsminimumregels is verbonden. Als verklaringen als enig bewijsmiddel kunnen dienen, zou dit het risico van het uitoefenen van ongeoorloofde druk op de declarant, verdachte of getuige, mogelijk vergroten. Dit speelt uiteraard vooral een rol bij testimoniaal bewijs.
Nijboer 2011, § 2.6.1 en De Wilde 2008, p. 272-3. Zie anders de conclusie van Jörg onder HR 21 november 2000, NJ 2001, 48. Zie ook Bleichrodt die stelt dat de eis van dubbele bevestiging niet uit het systeem kan worden afgeleid (Bleichrodt 2011, p. 12-13).
HR 8 juni 1931, NJ 1932, p. 1550 en HR 14 januari 1935, NJ 1935, p. 494.
Van Dorst 2009, p. 238.
Meest recentelijk De Wilde 2008.
Hij meent dan ook dat ‘tot blote vorm verworden unus-verboden hun materiële inhoud behoort te worden teruggegeven’ (noot Reijntjes onder HR 28 september 2004, NJ 2005, 93).
HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en HR 30 juni 2009, NJ 2009, 496.
Naast dat een opsomming wordt gegeven van de wettige bewijsmiddelen, kent de wet een aantal bewijsminimumregels. Het Nederlandse bewijsstelsel verschilt in dit opzicht van andere rechtsstelsels. Noch in de Anglo-Amerikaanse bewijsstelsels, noch in andere landen op het West-Europese continent worden bewijsminimumregels in deze vorm gehanteerd.1 In het Schotse recht kent men echter wel de algemene eis dat voor een veroordeling in beginsel bewijs uit twee onafhankelijke bronnen aanwezig moet zijn.2 Het Nederlandse bewijsstelsel kent echter bijzondere, per type bewijsbron geldende bewijsminima. De functie van bewijsminimumregels is volgens de Hoge Raad gelegen in het waarborgen van de ‘deugdelijkheid van de bewijsbeslissing’.3 Het betreft in ieder geval in theorie een beperking op de vrije waarderingsruimte van de rechter ten aanzien van de bewijskracht van de individuele bewijsmiddelen die aan de bewijsminima zijn onderworpen.
De bewijsminimumregels worden zo uitgelegd dat elk onderdeel van de bewezenverklaring moet worden gedekt door de aanwezige bewijsmiddelen. Is voor een bepaald onderdeel van de tenlastelegging geen of onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden, dan dient daarvan te worden vrijgesproken.4 Dat lijkt vanuit het concept ‘bewijs en bewijzen’ vanzelfsprekend. Immers, hoe kan een onderdeel van de tenlastelegging bewezen worden geacht als daar geen bewijsmateriaal aan ten grondslag ligt? Echter, in de praktijk zijn tenlasteleggingen door de vele daarin opgenomen alternatieven vaak uitermate complex en is een fout al snel gemaakt. In cassatie wordt dan ook met enige regelmaat geklaagd over dit punt. Uitdrukkelijk is niet vereist dat voor elk onderdeel van de bewezenverklaring een afzonderlijk bewijsmiddel of een pluraliteit aan bewijsmiddelen voorhanden is. Eén bewijsmiddel kan immers ook steun bieden voor alle onderdelen van de bewezenverklaring tegelijkertijd. Of dat in het licht van de bewijsminimumregels toereikend is, hangt af van het type bewijsmiddel.
Als uitgangspunt geldt dat één enkel bewijsmiddel meestal niet voldoende is om als bewijs te dienen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Dit wordt met betrekking tot een aantal wettelijk bewijsmiddelen uitdrukkelijk gestipuleerd in de artikelen 341 lid 2, 342 lid 2, 344 lid 1 onder 5 en 344a lid 1, 3 en 4 Sv. In het licht van de gebreken die kunnen kleven aan op waarneming gebaseerde verklaringen, is het niet verwonderlijk dat juist ten aanzien van het bewijs afkomstig van verdachten of getuigen de wetgever bewijsminimumregels heeft geformuleerd.5 Ten aanzien van de verklaringen van deskundigen of de eigen waarneming van de rechter is niets opgenomen. Toch gaan de meeste auteurs uit van de algemene eis van dubbele bevestiging, inhoudende dat de bewezenverklaring niet mag berusten op een enkel bewijsmiddel, maar dat er altijd meerdere bronnen voorhanden moeten zijn.6 De wet kent één uitdrukkelijke uitzondering op deze regel, geformuleerd in artikel 344 lid 2 Sv, voor wat betreft de waarnemingen van de politie. De eigen waarneming van een politieambtenaar gerelateerd in een proces-verbaal, kan namelijk wel zelfstandig de bewezenverklaring dragen.
De eis van dubbele bevestiging laat onverlet dat de Hoge Raad wel bewijsconstructies aanvaardt waarin het tweede bewijsmiddel uitsluitend betrekking heeft op een ondergeschikt onderdeel van de tenlastelegging.7 De Hoge Raad eist niet dat alle onderdelen van de tenlastelegging door meerdere bewijsmiddelen worden gedekt en stelt evenmin de eis dat het dragende bewijsmiddel door het bijkomende bewijs inhoudelijk wordt bevestigd. Wel geldt de eis dat het bijkomend bewijsmateriaal afkomstig moet zijn uit een andere bron. Het louter ‘tellen’ van bewijsmiddelen is dus niet voldoende. Zou het formele aantal doorslaggevend zijn, dan kan de bewijsminimumregel eenvoudig worden omzeild door zowel het proces-verbaal van verhoor als de ter terechtzitting afgelegde verklaring te gebruiken. Zo kan het bewijs inzake ontucht niet steunen op de verklaring van het jeugdige slachtoffer en de verklaring van de moeder van het slachtoffer, die verhaalt over wat haar dochter haar daaromtrent heeft verteld. Tot voor kort waren dit de enige eisen die aan het bijkomend bewijs werden gesteld. Zolang het bijkomend bewijs maar niet te herleiden was tot dezelfde bron en steun bood voor enig onderdeel van de tenlastelegging, was voldaan aan de wettelijke minima. Een inhoudelijk verband tussen de dragende getuigenverklaring en het bijkomend bewijs werd door de Hoge Raad niet geëist. Door deze betrekkelijk formele uitleg van de Hoge Raad slaagden klachten in cassatie over de (on)toereikendheid van het bewijsmateriaal in het licht van de minima vaak niet.8
Op de minimale lijn van de Hoge Raad is in de literatuur de nodige kritiek gekomen.9 Zo stelde Reijntjes in 2005 dat de bewijsminimumregels waren verworden tot blote vormkwesties.10 In 2009 heeft de Hoge Raad zijn lijn ten aanzien van de bewijsminimumregel unus testis, nullus testis, neergelegd in artikel 342 lid 2 Sv, echter enigszins aangescherpt door te stellen dat het bijkomend bewijs voldoende steun moet bieden aan de dragende getuigenverklaring,11hetgeen in ieder geval in theorie een verzwaring betekent ten opzichte van de oude invulling. Op deze nieuwe lijn en de vragen die in dit verband nog leven als het gaat om de mate van steun die aanwezig moet zijn voor een belastende getuigenverklaring, wordt in het tiende hoofdstuk nader ingegaan.