Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.3
7.3 Omvang van de feitenvaststelling: beslissen op grondslag van de tenlastelegging
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer in detail § 2.3.1.1.
De mogelijkheden van de officier van justitie om de tenlastelegging aan te vullen (art. 312) of te wijzigen (art. 313) daargelaten.
Het grondslagvereiste brengt tevens mee dat er niet mag worden afgeweken van de bewoordingen van de tenlastelegging door een verwijt in te lezen waarop verdachte niet bedacht hoeft te zijn (Van Dorst 2009, p. 219).
Melai 1963, p. 105 e.v.
Crijns 2008, p. 51.
Loth 2009, p. 1145.
Van Dorst 2009, p. 219.
HR 16 maart 2010, NJ 2010/314, m.nt. Buruma (onder NJ 2010/315).
Conclusie A-G Machielse HR 16 maart 2010, NJ 2010, 314.
Bij ‘bewijzen’ gaat om het toetsen van de juistheid van een bewering.1 De centrale bewering (of beweringen) die moet(en) worden bewezen, is vervat in de tenlastelegging en betreft de beschuldiging van de officier van justitie. De tenlastelegging is leidend voor het proces van bewijzen in die zin dat de rechter daaraan gebonden is. Dit wordt ook wel aangeduid als de ‘grondslagleer’: de rechter mag niet iets anders bewezen achten dan is tenlastegelegd. De inhoud en reikwijdte van de bewijsbeslissing ligt dus in beginsel vast.2 De beperking tot de tenlastelegging is ingegeven door de gedachte dat de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting moet weten van welk feit hij precies wordt beschuldigd opdat hij zijn verdediging zorgvuldig kan voorbereiden.3 De ratio van beperking tot de tenlastelegging is voorts gelegen in de vervolgingsmonopoliepositie van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is exclusief belast met de vervolgingsbeslissing en bepaalt welk verwijt de verdachte moet worden gemaakt (en dus niet de rechter). De betekenis van de grondslagleer is door de werking van het opportuniteitsbeginsel mogelijk groter dan in andere landen. Zo kan het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld besluiten een ‘lichter’ feit ten laste te leggen: een gedraging die strikt genomen als een poging doodslag valt te kwalificeren, kan in theorie als mishandeling ten laste worden gelegd. De rechter kan dan niet meer veroordelen voor de poging doodslag, ook niet als hij meent dat de bewezenverklaarde feiten beter als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. De strikte gebondenheid van de rechter aan de tekst van de tenlastelegging wordt ook wel de tirannie van de tenlastelegging genoemd.4
De gebondenheid van de rechter aan de grondslag van de tenlastelegging kan worden beschouwd als een kenmerkend aspect van het proces van bewijzen in Nederland en gezien als een beperking in de waarheidsvinding ten opzichte van andere disciplines. In dit verband wordt gesproken van een reductie van de werkelijkheid.5 De reductie is daarin gelegen dat het strafproces niet is gericht op het vaststellen van de historische werkelijkheid in volle omvang, maar uitsluitend op die aspecten die zijn verwoord in de tenlastelegging. Met het fixeren van een werkelijkheid in een tenlastelegging en daarop toegesneden bewezenverklaring, gaat een deel van haar nuance verloren en wordt een zekere beperking aangebracht op de rechterlijke activiteit, in dat opzicht dat gebeurtenissen die niet ten laste zijn gelegd in beginsel geen onderwerp zijn van onderzoek (tenzij met het aannemelijk worden van een ander voorval het tenlastegelegde feit wordt ontkracht). Indien een diefstal is ten laste gelegd en ter terechtzitting blijkt dat ook een mishandeling is gepleegd dan mag de rechter dit feit niet meenemen in de bewezenverklaring. De rechter die tot een bewezenverklaring komt, dient deze uitsluitend te baseren op de tenlastelegging. In geval van een vrijspraak laat de rechter zich ook niet uit over de vraag wat wel zou zijn voorgevallen.
Dat de feitenvaststelling door de tenlastelegging wordt beperkt, betekent uitdrukkelijk niet dat onderzoek naar alternatieve scenario’s buiten het bestek van de bewijsvraag valt, zoals sommige juristen lijken te betogen. Zo rekent Loth het toetsen van hypothesen voorgelegd door het Openbaar Ministerie en de verdediging in beginsel niet tot de rechterlijke taak. Volgens hem gaat het in het institutionele kader van het strafproces ‘om de (beperkte) vraag of deze verdachte dit verwijt kan worden gemaakt, niet om de vraag wat er gebeurd is en wie daarvoor verantwoordelijk is’.6 Ook Van Dorst volgt een soortgelijke lijn als hij stelt dat ‘de rechter bij de beslissing over het al of niet bewezen zijn van het feit niet mag [cursivering, MJD] kijken naar wat werkelijk is gebeurd, maar naar de gebeurtenis zoals die zich volgens de tenlastelegging heeft toegedragen’.7 Het zijn dit soort tamelijk formalistische uitspraken over de beperktheid van het strafrechtelijk onderzoek die leiden tot misverstanden tussen juristen en personen uit andere disciplines. Het wekt immers de indruk dat de onderliggende feitelijke realiteit niet ter zake doet, terwijl om vast te kunnen stellen of een gebeurtenis heeft plaatsgehad toch echt naar de werkelijkheid moet worden gekeken en moet worden onderzocht of er ook andere verklaringen zijn voor het aangetroffen bewijsmateriaal. Dat gebeurt in de praktijk ook. Indien een verdachte met een alternatief scenario komt waardoor de onderzoeksresultaten in een ander licht komen te staan, moet dat worden onderzocht en zal dat onderzoek in beginsel ook plaatsvinden (tenzij het al bij voorbaat een zeer onwaarschijnlijk verhaal is). Het toetsen van eventuele alternatieve scenario’s, waarvan het onschuldscenario het belangrijkste is, behoort tot het normale takenpakket van de rechter. Echter, in het strafrechtelijk bedrijf plegen die alternatieve scenario’s niet als zodanig te worden aangeduid. Er wordt in dit verband wel gesproken van een alternatieve lezing of toedracht, hetgeen feitelijk op hetzelfde neerkomt. Dat neemt niet weg dat er wel degelijk beperkingen zijn aan de rechterlijke taak met betrekking tot de waarheidsvinding en dat daar door juristen terecht op wordt gewezen.
Hoe uitvoerig het onderzoek naar alternatieve scenario’s dient te geschieden is echter mede afhankelijk van hetgeen door de verdediging wordt aangedragen. Van de rechter wordt immers niet gevergd dat hij zelfstandig alle mogelijke alternatieve scenario’s inventariseert en onderzoekt, daarvoor zijn de mogelijke alternatieven eenvoudigweg te talrijk en de middelen te beperkt. Het is aan de verdachte om op het moment dat er sterk incriminerend bewijs voorhanden is, met een verklaring of alternatieve lezing te komen waardoor de rechterlijke onderzoeksplicht wordt geactiveerd. Als het gaat om het onderzoek naar alternatieve scenario’s, dan kan ook worden gekeken naar de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de gemotiveerde weerlegging van alternatieve scenario’s. In een uitspraak van 16 maart 2010 spreekt de Hoge Raad zich indirect uit over de afhechting van de bewijsbeslissing door aan te geven hoe de verwerping van alternatieve scenario’s dient te worden gemotiveerd en de gevallen waarin die verwerping uitdrukkelijk op bewijs moet berusten.
‘Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.’8
In de hiervoor genoemde zaak had het Hof de verdachte vrijgesproken van de moord op zijn vrouw nadat de verdachte – anderhalf jaar na dato – met een alternatieve versie van de gebeurtenissen was gekomen, die de aangetroffen bloedsporen zou kunnen verklaren. Het Hof oordeelde ‘dat niet voldoende voor een weerlegging is (...) dat de verklaring minder of meer geloofwaardig is. Vereist is dat de weerlegging door middel van bewijsmiddelen geschiedt’. De Hoge Raad is daarentegen van oordeel dat de omstandigheid dat de lezing van de verdachte zijn weerlegging niet vindt in enig bewijsmiddel, niet zonder meer in de weg hoeft te staan aan een bewezenverklaring. Hoewel deze zaak gaat om de vraag wat het Hof had moeten motiveren, ziet deze uitspraak indirect ook op het beslisproces en de omvang van de rechterlijke onderzoeksplicht. Om tot een bewezenverklaring te komen, is het niet noodzakelijk dat alle alternatieve scenario’s zijn afgedekt met bewijsmiddelen. Advocaat-generaal Machielse stelt in dit verband dat ook een ‘reconstructieve redenering volgens logische lijnen een toereikende weerlegging kan opleveren’. Hij wijst in dit verband op de Meer en Vaartjurisprudentie, ‘waarin een dreigend Meer en Vaartgat wordt gedicht met de overweging dat het alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, zonder dat daartoe bewijsmiddelen in dat gat worden gestort’.9 Als geen bewijsmateriaal voorhanden is dat het alternatieve scenario rechtstreeks weerlegt, hoeft dat dus niet in alle gevallen aan een bewezenverklaring in de weg te staan. In bepaalde gevallen kan het voldoende zijn als op andere wijze kan worden aangegeven waarom het toch verantwoord is tot een bewezenverklaring over te gaan. Indien de alternatieve lezing echter niet door de feiten of langs argumentatieve lijnen kan worden ontkracht, dan moet worden vrijgesproken of zal de rechter nader onderzoek moeten (laten) verrichten naar de juistheid van de alternatieve lezing.