Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.1
3.1 Van Meijers tot NBW
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS347999:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611. Het BW 1838 kende wel de licitatie, art. 1122 BW.
Voor bijdragen in de literatuur: zie (bij wijze van voorbeeld en in chronologische volgorde) Suyling-Dubois 1931, no. 283; Asser/Meijers 1941, p. 342; Libourel 1948, p. 395; Studiecommissie voor Boek 3 BW 1958, p. 199 en voor een bespreking van dit voorstel: MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612; Van de Poll 1967, p. 29; Kleijn 1969 p. 9. Voor jurisprudentie: zie HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559.
Men kan zich de vraag stellen in hoeverre het verdelingsbegrip door art. 3:182 BW wordt gedefinieerd. Van Mourik 2012, p.17: ‘Verdeling is veel meer dan een op goederenrechtelijk resultaat gericht gebeuren. Art. 3:182 BW bevat dan ook geen omschrijving van het begrip verdeling. Het artikel bepaalt slechts dat bepaalde privatieve verkrijgingen van goederen als verdeling worden ‘aangemerkt’. (…) Verbintenisrechtelijke elementen omringen het goederenrechtelijke streven.’ Hoewel ik kan instemmen met Van Mouriks waarneming, zal ik toch in lijn met een bestendig gebruik in de literatuur gebruik maken van de termen ‘omschrijving’ en ‘definitie’. Zie onder anderen: Kleijn 1969, p. 2: ‘wettelijke definitie’; Schoordijk 1983, p. 100: ‘de definitie van het begrip verdeling’; Tuil 2009, p. 119: ‘een definitie van verdeling’; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 169: ‘wettelijke definitie van verdeling’; ook Van Mourik 2011, nr. 36: ‘wettelijke omschrijving’ en ‘per definitie’, evenals Van Mourik & Verstappen 2014a, nr. 5.8.7: ‘Art. 3:182 BW definieert het begrip verdeling […].’
Een verdeling volgens deze definitie wordt ook wel aangeduid als een contractuele verdeling en moet worden onderscheiden van de verdeling door de rechter (art. 3:185 BW), de ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 OBW) en de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW). Zie ook: Luijten & Meijer 2008, nr. 885; Nuytinck 2009, p. 49.
Meijers 1915b, p. 519.
Asser/Meijers 1915, p. 316.
Meijers 1916, p. 407.
Asser/Meijers 1941, p. 342.
Art. 3.7.1.11 OM.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612.
Art. 3.7.1.11 GO.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Sinds 1 januari 1992 is met de invoering van onder meer Boek 3 van het huidige Burgerlijk Wetboek een in de wet vastgelegd verdelingsbegrip van kracht. Het Burgerlijk Wetboek van 1838 kende geen wettelijke omschrijving van de voorloper van de verdeling, de zogenaamde (boedel)scheiding, ook wel scheiding en deling genaamd.1 Wel ontwikkelt zich onder oud recht een scheidingsbegrip in zowel literatuur als jurisprudentie,2 dat uiteindelijk leidt tot de verdelingsdefinitie,3 zoals opgenomen in art. 3:182 BW:4
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
De definiëring van het verdelingsbegrip is in fasen tot stand gekomen. Meijers staat aan de basis van een definitie van scheiding als hij in WPNR 2390 (1915) een duiding geeft van het verschil tussen scheiding en koop:
‘Een scheiding is een handeling, waarbij alle deelgenooten moeten betrokken zijn; is het een handeling tusschen slechts eenige der deelgenooten, dan kan dat nooit meer dan een koop zijn. Zie daaromtrent nader mijn eerstdaags verschijnende slotaflevering van het Erfrecht, blz. 316.’5
In de woorden van vorenbedoelde door Meijers bewerkte handleiding in eerste druk:
‘Wel echter moeten alle erfgenamen of hun vertegenwoordigers tot de handeling medewerken, wil een scheidingshandeling aanwezig zijn. Wanneer dus één der erfgenamen zijn erfdeel aan enkele of aan één zijner mede-erfgenamen overdraagt, is dit een koop en geen scheiding.’6
In WPNR 2434 (1916) besteedt Meijers opnieuw aandacht aan de vraag, waar de grenslijn getrokken moet worden tussen verkoop van een aandeel en scheiding:
‘In de bewerking van het erfrecht in Asser’s Handleiding (IV, blz. 316) heb ik getracht in navolging der Fransche juristen in ons land de meening ingang te doen vinden, dat iedere handeling, tusschen alle deelgenooten waardoor de onverdeeldheid wordt opgeheven of verminderd, een scheiding is; een handeling tusschen enkele deelgenooten echter nimmer een scheiding kan zijn.’7
Meijers voegt hier aan de eis van het gezamenlijk handelen door alle deelgenoten een rechtsgevolg toe: ‘waardoor de onverdeeldheid wordt opgeheven of verminderd’. In de vierde druk van de door Meijers bewerkte Handleiding omschrijft hij een scheidingshandeling als volgt:
‘Een scheidingshandeling is derhalve te omschrijven als iedere handeling, waartoe alle deelgenoten medewerken en die ten gevolge heeft, dat een of meer hunner ten aanzien van alle of enkele goederen der gemeenschap ophouden mede-eigenaar te zijn.’8
De ontwikkeling van een in de wet vastgelegd verdelingsbegrip begint met het zogenaamde Ontwerp Meijers (art. 3.7.1.11) om via een aantal tussenstap-pen te eindigen bij de tekst zoals opgenomen in de huidige wet. Op basis van het Ontwerp Meijers luidt de omschrijving van verdeling in aanvang als volgt:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd, medewerken, en waardoor een of meer van hen een of meer van de goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten ve[r]krijgen.’9
Via een gewijzigd ontwerp worden in de vorenbedoelde volzin nog enkele redactionele aanpassingen gepleegd: ‘beschouwd’ wordt gewijzigd in ‘aangemerkt’ en ‘waardoor’ wordt ‘krachtens welke’.10 Tevens wordt er een tweede volzin opgenomen, die in oorspronkelijke zin luidt:
‘De handeling is niet een verdeling, indien zij geschiedt ter voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer der deelgenoten.’11
Bij nota van wijziging wordt ‘geschiedt ter voldoening’ vervangen door ‘strekt tot nakoming’, vervalt het woord ‘der’ en wordt aan het slot nog een zinsdeel toegevoegd, namelijk:
‘(…) die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’12
Aldus wordt de eindtekst bereikt van het in het huidige art. 3:182 BW opgenomen verdelingsbegrip.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat het wettelijke verdelingsbegrip zijn finale vorm heeft verkregen door de formulering van twee volzinnen. De eerste volzin geeft aan welke rechtshandeling als verdeling wordt aangemerkt, terwijl de tweede volzin aanmerkt welke handeling niet als verdeling heeft te gelden. Het door deze afbakening bereikte kader waarbinnen verdeling wordt aangenomen is in de parlementaire geschiedenis van een toelichting voorzien. Voor het goed verstaan van het wettelijke verdelingsbegrip als geheel richt ik mij op deze toelichting.