De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.5.1:6.4.5.1 Afname instellingsexamen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.5.1
6.4.5.1 Afname instellingsexamen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949315:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7.4.5 van de Web (Stb. 1995, 501).
Artikel I, onderdeel U, onder 4, van de Wet van 11 maart 2004 tot wijziging van de Web en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen (Stb. 2004, 138).
Artikel 7.5.1, eerste en derde lid, 7.5.2, eerste en zesde lid, 7.5.3, eerste lid en 7.5.4, van de Web en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen (Stb. 2004, 138 en Stb. 2004, 138).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het instellingsexamen bestaat uit een examen of een of meer examenonderdelen, die worden geëxamineerd aan de hand van toetsen die worden vastgesteld en afgenomen door of in opdracht van de instelling.1 De taak om het instellingsexamen af te nemen en vast te stellen komt toe aan de examencommissie.2 In de Web was tot 2004 bepaald dat de examencommissie in het beroepsonderwijs – net als in de Whw – examinatoren moest aanwijzen die de examens en de examenonderdelen zouden afnemen.3 De Web voorzag in de volgende drie categorieën examinatoren:
personeelsleden van de betreffende instelling die met het geven van het onderwijs van desbetreffende onderwijseenheid waren belast;
personen belast met het verzorgen van praktijkvormen; en
derden die door het instellingsbestuur als examinator zijn aangewezen.
De examinator had niet – zoals in de Whw – de bevoegdheid om de uitslag van een examen of examenonderdeel vast te stellen. Uit de memorie van toelichting van de Web blijkt dat de examinatoren enkel waren belast met de uitvoering van taken namens de examencommissie en dat deze taken werden uitgevoerd onder door de examencommissie geformuleerde voorwaarden.4 De examencommissie was en is dan ook degene die de examen(onderdelen) formeel afneemt en de uitslag hiervan bepaald.
De bepaling die erin voorzag dat de examencommissie examinatoren diende aan te wijzen voor het afnemen van de examens en examenonderdelen, is in 2004 komen te vervallen.5 Volgens de wetgever was deze bepaling overbodig. Dat de examencommissie personen kan aanwijzen die onder de verantwoordelijkheid van de examencommissie examens of examenonderdelen kunnen afnemen zou geen wettelijke basis behoeven.6 De wetgever lijkt er op te doelen dat de examencommissie de bevoegdheid om examens of onderdelen daarvan af te nemen kan mandateren aan de examinator. De wetgever heeft de examinator niet consequent uit de gehele Web geschrapt. In de bepalingen over het college van beroep voor de examens wordt nog steeds gesproken over beslissingen van een examinator waartegen beroep ingesteld kan worden.7 Wanneer de examinator in mandaat examens of onderdelen daarvan afneemt namens de examencommissie zijn ook deze bepalingen overbodig. De beslissing over de uitslag van het examen of examenonderdeel wordt dan immers in naam van de examencommissie genomen.