Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.6
8.2.6 Partage en transacties voor gemene rekening
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604167:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gj. van Norden, ‘De personenvennootschap ten opzichte van enige andere samenwerkingsvormen in de BTW’, TFO 2005, p. 30.
B.G. van Zadelhoff, ‘Ontvangsten zonder omzetbelasting en waarborgen bij verhoging verhoogd’, WFR 1990, p. 799, heeft verdedigd dat onderlinge activiteiten van de deelnemers aan een partageovereenkomst op basis van de ratio van de omzetbelasting buiten de heffing kunnen blijven, omdat de goederen en diensten hierdoor niet dichter bij de consument worden gebracht. De Commissie ‘Samenwerkingsverbanden in de omzetbelasting’ van de Vereniging voor Belastingwetenschap (2000) is echter van mening dat onderlinge prestaties in het kader van een partage gewoon zijn onderworpen aan omzetbelasting.
Onder omstandigheden kan de samenwerking tussen twee ondernemers worden beschouwd als ‘partage’, zo blijkt uit de jurisprudentie. Ieder van de ondernemers kan dan aanspraak maken op een deel van de van afnemers ontvangen vergoedingen. Dit was het geval in HR 5 juni 1991, nr. 26 574, BNB 1991/243, bij de exploitatie van speelautomaten. De eigenaar van de automaten, en de exploitant van de zaak waarin deze werden geplaatst, waren ieder zelfstandig omzetbelasting verschuldigd over hun aandeel in de behaalde omzet. Volgens de Hoge Raad was in casu geen sprake van één belastingsubject, bestaande uit een maatschap tussen de eigenaar en de exploitant. Een recent voorbeeld van partage kan worden gevonden in Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2006, nr. 01/03309, V-N 2006/53.19. In deze uitspraak werd geoordeeld dat een makelaarskantoor en een hypotheekbemiddeling-/assurantiekantoor voor gemene rekening en risico het hypotheekbemiddelingsbedrijf uitoefenden.
Van Norden onderscheidt ‘partage’ van een andere samenwerkingsvorm, namelijk die van de ‘transacties voor gezamenlijke rekening’.1 Bij partage nemen de participanten ieder afzonderlijk deel aan één prestatie aan een derde. Bij een transactie voor gemene rekening is er een winstverdelingsafspraak, waarbij uitsluitend de participant die de levering of de dienst jegens de derde verricht, een prestatie in het economische verkeer verricht. In HR 22 mei 1991, nr. 27 135, BNB 1991/241, was bijvoorbeeld sprake van een transactie voor gemene rekening met betrekking tot een onroerende zaak. De belanghebbende in deze zaak ontving een winstaandeel in verband met de afronding van de transactie, omdat hij een gedeelte van het risico had gelopen. Hierbij rees de vraag of het winstaandeel kon worden beschouwd als een vergoeding voor een belaste prestatie. De Hoge Raad oordeelde dat het participeren in een dergelijke, voor gemeenschappelijke rekening gesloten transactie niet als een dienst in de zin van art. 4 Wet OB 1968 kon worden aangemerkt.
Naar mijn mening kan in partage ook organisatorische en economische verbondenheid worden herkend. Echter, ook ten aanzien van de juistheid van dit leerstuk bestaat geen eensluidende opvatting in de literatuur.2
Partage heeft naar mijn mening ook kenmerken van de fiscale transparantie van rechtsvormen voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. In HR 5 juni 1991, nr. 26 574, BNB 1991/243, werd de samenwerking tussen de betrokken partijen in feite niet voldoende zelfstandig geacht om één ondernemer te constateren in de vorm van een maatschap. De activiteiten van de samenwerking werden daarom rechtstreeks toegerekend aan de deelnemers in de partage.