Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.8.1:6.8.1 Conclusie
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.8.1
6.8.1 Conclusie
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258942:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2388, USZ 2009/70 m.nt. G. Boot.
CRvB 21 februari 2001, RSV 2001/118.
Ook Damsteegt meent dat de wetgever zich deze consequentie niet heeft gerealiseerd, althans niet bewust ervoor heeft gekozen. Zie Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 166.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het kabinet heeft het instrument van de normering rond verwijtbare werkloosheid op een verruimende (1996) en beperkende (2006) manier ingezet. Bij de Wet Boeten nam het aantal gevallen dat viel onder verwijtbare werkloosheid toe. Het was de bedoeling van het kabinet dat elke vorm van verwijtbaarheid die voorzienbaar tot beëindiging van de dienstbetrekking had geleid tot een maatregel zou leiden. Ook de situatie dat de werknemer instemt met, berust in of meewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking vormde een gevaar voor het recht op een WW-uitkering. Dit zorgde voor de pro-formaproblematiek en de daarmee gepaard gaande belasting van de rechterlijke macht en uitvoeringsorganen.
De toegangspoort tot de WW werd in 2006 met de Wet wijziging WW-stelsel verruimd. De verwijtbaarheidstoets werd gekoppeld aan de dringende reden van artikel 7:678 BW. Door deze wijziging van de definitie werden gedragingen die vroeger wel tot verwijtbare werkloosheid leidden, niet langer als zodanig aangemerkt, omdat er hoge eisen aan de aanwezigheid van een dringende reden werd gesteld door de CRvB.
De verwijtbaarheidstoets in de WW werd beperkt met het oog op vereenvoudiging van de uitvoering van de WW, onder andere door de pro-formaprocedures geheel overbodig te maken. Deze beperking van de verwijtbaarheidstoets zou ook tot een versoepeling van de ontslagpraktijk en een aanzienlijke vermindering van ontslagkosten voor werkgevers moeten leiden.1 Uit de SER-adviezen Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet en Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet volgt dat zo de nadruk werd gelegd op de smeeroliefunctie van de WW.
Boot2 noemt het ontslag op staande voet een ultimum remedium-criterium en dat is kenmerkend voor de manier waarop naar de huidige verwijtbare-werkloosheidstoets moet worden gekeken. De koppeling van verwijtbare werkloosheid aan de dringende reden bracht met zich mee dat de persoonlijke omstandigheden van de werknemer weer in de afweging werden meegenomen. Het is opmerkelijk dat die persoonlijke omstandigheden zo indringend worden meegenomen bij de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid. Bij het opleggen van de maatregel, nadat de afweging van verwijtbare werkloosheid is gemaakt, werd het evenredigheidsbeginsel juist bewust door het kabinet uitgesloten. Het kabinet was zich in 1996 er wel van bewust dat bij die verwijtbare-werkloosheidsvraag de omstandigheden van het geval mee moesten worden genomen.3 Dat aan de voorzijde, bij het bepalen van verwijtbare werkloosheid, wel met persoonlijke omstandigheden rekening moest worden gehouden, leidde tot een verbetering van de rechtspositie, die door het ontbreken van de evenredigheidseis bij de maatregel aan de achterzijde was verslechterd. De leeftijd en het lange arbeidsverleden van de werknemer leidden niet meer tot een matiging van de maatregel.4 Op het moment dat aangesloten werd bij de arbeidsrechtelijke jurisprudentie ten aanzien van een dringende reden werden aspecten als de wijze van functionering en het arbeidsverleden wel weer meegenomen bij de vraag of er überhaupt sprake was van verwijtbare werkloosheid. Het lijkt erop dat het kabinet zich niet bewust is geweest van deze consequentie van het beperken van de verwijtbaarheidstoets met de Wet wijziging WW-stelsel.5