Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/7.2.3
7.2.3 Onderscheid inlichtingen en toezeggingen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685396:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:501, V-N 2020/28.17, rov. 4.7: “De inlichting en de toelichting zijn van elkaar te onderscheiden doordat de inlichting gaat over de wetstoepassing in een abstract aangeduide situatie, terwijl het bij een toezegging gaat om de wetstoepassing in de concrete situatie van de belastingplichtige.” De belastingplichtige kan dit ook afdwingen door zelf te verzoeken om een standpuntbepaling in zijn geval, zie Rb. Noord-Holland 3 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1372, rov. 22.
Gorissen 2008, par. 2.9.6.
Scheltens in zijn noot BNB 1979/311 bij HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918; G.J. van Leijenhorst in zijn noot BNB 1991/77 bij HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4483 en Weenink & De Graaf 2000, p. 38-39.
Zie zijn noot BNB 1979/311 bij HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
Smit 1984.
Cramwinckel 2022, par. 4.5 en par. 4.6.
Uit het standaardarrest HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, AB 1980/210 blijkt dat voor inlichtingen geldt dat zij geen relatie hebben met de concrete feitelijke omstandigheden van de belastingplichtige, hetgeen wel het geval is bij toezeggingen.
Gelet op de verschillende toetsingscriteria moeten rechters goed onderzoeken hoe de uitlating moet worden gekwalificeerd. In HR 27 juni 1984, WFR 1984/1616 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof omdat het niet had onderzocht of de uitlating gelet op alle omstandigheden van het geval als een toezegging kon worden opgevat.
In theorie is het onderscheid tussen een inlichting en toezegging dat alleen die laatste uitlating ziet op de concrete omstandigheden van het geval,1 zodat slechts voor toezeggingen geldt dat daar in beginsel op kan worden vertrouwd. Gorissen merkt op dat het onderscheid tussen inlichtingen en toezeggingen in de praktijk lastig is.2 Verscheidene malen is dan ook bepleit het onderscheid tussen deze twee categorieën af te schaffen.3 Scheltens heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij het onderscheid4 en wijst er terecht op dat inlichtingen niet worden gevraagd uit nieuwsgierigheid over wettelijke regels en dat het ‘altijd [zal] gaan om het belang dat het antwoord heeft voor de belanghebbende in verband met zijn omstandigheden, derhalve om de wijze waarop die regels op zijn individuele geval zullen of kunnen worden toegepast.’ Hij merkt verder het belang op van het onbelemmerd kunnen geven van inlichtingen en is kritisch over het door de Hoge Raad gehanteerde criterium dat voor toezeggingen moet gelden dat de inspecteur van alle van belang zijnde bijzonderheden van het geval kennis moet hebben genomen. Hij meent dat als een belastingplichtige een duidelijk en concreet antwoord krijgt, die belastingplichtige erop zou moeten kunnen vertrouwen dat naar alle relevante omstandigheden is gevraagd. Smit plaatst het verschil tussen toezeggingen en inlichtingen in de aanwezigheid van een bindingsbedoeling van de inspecteur bij toezeggingen, die ontbreekt in geval van inlichtingen.5 Recentelijk heeft ook Cramwinckel opgemerkt dat het maken van een onderscheid tussen deze uitlatingen in de praktijk vaak moeizaam is.6
In theorie is het onderscheid desalniettemin helder: alleen bij toezeggingen vindt concrete toepassing op de feiten plaats, bij inlichtingen gaat het slechts om vragen omtrent de inhoud van wettelijke dan wel andere door de fiscus in acht te nemen algemene regels.7 Voor de kwalificatie van een overheidsuitlating is uiteindelijk beslissend of de uitlating door de belastinginspecteur gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs als een toezegging of inlichting kon worden opgevat door de belastingplichtige.8
Zoals zal blijken in hoofdstuk 8 en 9 hanteert het civiele recht – vanuit een dogmatisch onderscheid tussen rechtshandelingen en feitelijke handelingen – ook een onderscheid tussen toezeggingen en inlichtingen met verschillende toepassingsvoorwaarden voor overheidsaansprakelijkheid wegens daaraan ontleend gerechtvaardigd vertrouwen. Ik stel in deel V – met verwijzing naar het civiele recht en het fiscale recht – voor dat de reguliere bestuursrechter dat onderscheid ook moet hanteren.