Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.3.3.3
7.3.3.3 Aantekening van rangverlaging
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186663:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zo reeds Hof Amsterdam 14 maart 1935, NJ 1936/685 (Schielaar/Roeper Bosch q.q.). Verder Rb. Utrecht 9 november 2005, JOR 2005/311 (NIB Capital/Dulack & Van Andel q.q.), A. van Hees 1989, p. 113, Spinath 2005, p. 21, Haak 2012, Wessels Insolventierecht V 2014/5072 en Wessels 2013, p. 82. Tegengesteld echter ook Wessels 2013, p. 82. Anders kennelijk ook Rb. Amsterdam 27 november 2002, JOR 2003/28 (VEB/Curatoren Fokker), die na de vaststelling dat de betreffende vorderingen zijn achtergesteld de erkenning daarvan weigert. Vgl. verder Advies van de rechter-commissaris ex. art. 152 Fw van 20 juni 1989, kenbaar uit Bekkers 2005, p. 154, besproken in par. 8.6.5.2.
Vgl. HR 2 oktober 1998, NJ 1999/467 (Alsag AG/Curatoren Femis), waarin de Hoge Raad aansluiting zoekt bij de wijze van verificatie van vorderingen met voorrang.
Vgl. Molengraaff 1936, p. 393 en Hof Amsterdam 14 maart 1935, NJ 1936/685 (Schielaar/Roeper Bosch q.q.). Zie ook de vorige paragraaf.
Vgl. Rapport Insolad Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 63 en Rb. ’s-Gravenhage 28 oktober 2009, JOR 2010/317, RI 2010/21 (Van der Eng c.s./SNSPF, Andalucia Projects), waarin de vorderingen van Van der Eng c.s. worden erkend als achtergestelde vorderingen maar de achterstelling is beperkt tot één vordering van SNSPF.
Zie par. 5.5.6.3, 5.5.6.4 en 5.5.6.5.
Zie par. 5.5.2.2. Zo ook Fransis 2017, nr. 307. Anders: Loesberg 2010, p. 73.
Vgl. naar Australisch recht Horne v Chester & Fine Developments Pty Ltd (1986) 11 ACLR 485, US Trust Corporation v Australia and New Zealand Banking Group (1995) 17 ACSR 697. Zie ook par. 5.5.2.2 en 5.5.4.5.
Zie par. 5.2.3.4.
443. Een vordering waaraan een eigenlijke achterstelling is verbonden moet worden erkend voor de volledige hoogte van de vordering op de dag van faillietverklaring met aantekening van de verlaagde rang.1 Deze aantekening kan worden gemaakt naar analogie met de in artikel 113 Fw bedoelde aantekening van redenen van voorrang.2
De aantekening van de achterstelling moet nauwkeuriger en uitgebreider zijn dan de aantekening van een voorrecht. De aantekening van de achterstelling in het proces-verbaal van de verificatievergadering moet alle gegevens vermelden die noodzakelijk zijn om de positie van de achtergestelde schuldeiser bij de uitdeling te kunnen bepalen.3 De aantekening moet onder meer vermelden of het om een algemene of een specifieke achterstelling gaat en in het laatste geval bij welke verhaalsrechten er is achtergesteld en bij welke niet.4 Als er meerdere niveaus van achtergestelde vorderingen zijn, dan moet worden aangegeven hoe de verhaalsrechten van de verschillende achtergestelde schuldeisers zich tot elkaar verhouden. Verder moet het worden aangetekend als de seniorruimte is beperkt, als achterstelling slechts betrekking heeft op de opbrengst van bepaalde goederen of als de achterstelling tot relatieve voorrang moet leiden.5
444. Voor de erkenning van de eigenlijke achterstelling maakt het geen verschil of die achterstelling overeen is gekomen met betrokkenheid van de schuldenaar of tussen de schuldeisers onderling. Een overeenkomst waarbij de schuldenaar geen partij is wijzigt immers net zozeer de rang van de juniorvordering als een overeenkomst van achterstelling waarbij de schuldenaar geen partij is.6
Hieraan doet niet af dat de curator niet door raadpleging van de administratie van de failliet op de hoogte kan raken van de achterstellingsovereenkomst als de failliet geen partij is bij die overeenkomst en die niet anderszins uit die administratie blijkt. De taak van de curator is immers niet beperkt tot informatie die kenbaar is uit de administratie van de failliet. De curator voert zijn taak niet alleen ten behoeve van de failliet uit, maar ook ten behoeve van de schuldeisers. Daarbij hoort dat hij uitvoering geeft aan een overeenkomst tussen schuldeisers onderling over de rang van hun vordering en desnoods zelfstandig een standpunt inneemt over de geldigheid daarvan.7 Dit is niet uniek. In andere gevallen waarin de rang van een vordering wordt betwist neemt de curator ook een standpunt in over een conflict tussen de schuldeisers dat niet de verhouding tot de failliet betreft.8