Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/3.3.4.2
3.3.4.2 In hoeverre is versoepeling toegestaan?
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS366308:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 63.
Vgl. Wouters/Van Hooghten/Bruyneel 2009, p. 29 die – in mijn ogen ten onrechte – aannemen dat lidstaten geen vrijheid hebben om een afwijkende acting in concert-definitie op te nemen omdat elke afwijking zou leiden tot verminderde bescherming van minderheidsaandeelhouders (vgl. eerder § 3.3.3).
Daaraan voldoen alle lidstaten, zie Europese Commissie 2007 – Report implementation Takeover Bids Directive.
In zoverre wijkt de huidige richtlijn niet af van eerdere richtlijnvoorstellen waarin was bepaald dat lidstaten geen biedplicht hoefden in te voeren indien het nationale recht over voldoende andere middelen beschikte om effectenhouders te beschermen, zie nader Nieuwe Weme 2004, p. 58. Nieuwe Weme is overigens van mening dat onder de uiteindelijke versie van de richtlijn een dergelijke optout niet bestaat.
Zie het Addendum bij de ontwerp-notulen van de vergadering van de Raad van de Europese Unie van 30 maart 2004. Zie ook Nieuwe Weme 2004, p. 62, die naar eerdere stukken van dezelfde strekking verwijst.
Europese Commissie 2007 – Report implementation Takeover Bids Directive, p. 9-10. Vgl. ook het Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 139 e.v.
Zie Europese Commissie 2007 – Report implementation Takeover Bids Directive en Europese Commissie 2012 – Verslag toepassing Richtlijn 2004/25/EG, nr. 17.
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 97, die voorstander is van deze mogelijkheid, maar in het midden laat in hoeverre zij thans toelaatbaar is. Andere auteurs lijken daar anders over te denken, zie De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 5:70 Wft, aant. 11; Rensen 2008, p. 542 e.v. en Hijmans van den Bergh/Van Solinge 2000, p. 51.
Art. 3:40 BW en art. 2:14 lid 1 BW kunnen alleen tegen het besluit tot statutenwijziging worden aangevoerd. De nietigheidssanctie verbonden aan het niet inachtnemen van art. 2:25 BW is beperkt tot de bepalingen van boek 2 BW en ziet dus niet op statutaire bepalingen.
Steeds vormen de beginselen van art. 3 lid 1 Overnamerichtlijn de ondergrens. Voor de biedplicht is art. 3 lid 1 sub a Overnamerichtlijn relevant, dat bepaalt:
“1. Voor de toepassing van deze richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat aan de volgende beginselen wordt voldaan:
a) alle houders van effecten van een doelvennootschap van dezelfde soort moeten op gelijkwaardige wijze worden behandeld; bovendien dienen, indien een persoon de zeggenschap over een vennootschap verkrijgt, de overige houders van effecten te worden beschermd; […].”
Het beginsel sub a moet worden uitgelegd aan de hand van de strekking van de biedplicht.1 Een versoepeling van de regels is slechts geoorloofd indien geen afbreuk wordt gedaan aan de evenredige verdeling van de controlepremie of de bescherming tegen het gevaar van machtsmisbruik (zie verder § 4.2.2). Het is moeilijk in abstracto aan te geven wanneer deze ondergrens geschonden wordt (zie nader § 7.4.3.2).2
Om te beginnen lijkt mij dat iedere lidstaat verplicht is om ten minste een biedplicht in te voeren.3 Weliswaar is theoretisch denkbaar dat op een andere manier gelijkwaardige bescherming aan minderheidsaandeelhouders kan worden geboden,4 maar bij mijn weten bestaat zoiets op dit moment in geen van de onderzochte landen. Voor wat betreft acting in concert zie ik minder ruimte voor een gelijkwaardige, maar andersoortige regeling. Vanwege het anti-misbruik karakter van de acting in concert-regels (§ 4.3.2) zal iedere variant toch min of meer dezelfde kenmerken hebben. Op hoofdlijnen vertonen de regelingen in de onderzochte landen geen grote verschillen (zie hoofdstuk 5). Dat geldt overigens niet voor het zogenaamde defensieve acting in concert (zie ook § 4.3.4.4).
Het ogenschijnlijk absolute karakter van het beginsel van art. 3 lid 1 sub a Overnamerichtlijn moet overigens genuanceerd worden. Als uitkomst van een politiek compromis stonden de Europese Commissie en de Europese Raad de Italiaanse regeling toe, inhoudende dat het verplicht bod mag worden gericht op slechts 60% van de aandelen en dat geen verplicht bod hoeft te worden uitgebracht indien de controle is verkregen door een vrijwillig bod op 60% van de aandelen (zie nader § 5.6.1).5 Klaarblijkelijk is het niet zo dat iedere inbreuk op de rechten van minderheidsaandeelhouders, die in geval van de genoemde Italiaanse regeling zonneklaar is, in strijd is met het beginsel van art. 3 lid 1 sub a Overnamerichtlijn. Dit wordt bevestigd door het feit dat de lidstaten gretig gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om van de richtlijn af te wijken middels vrijstellingen en andere uitzonderingen, zonder dat dit tot actie van de Europese Commissie heeft geleid.6 Nadat zij eerder al had geconstateerd dat er veel vrijstellingen waren, uitte zij pas onlangs haar zorgen hierover (zie hierna).7
Ten slotte, statutaire versoepeling van de biedplicht lijkt niet toegestaan omdat daarvoor een basis ontbreekt, zowel onder de Overnamerichtlijn als naar Nederlands recht.8 Er zijn mij overigens geen praktijkvoorbeelden bekend. Van een voorkomende, soepelere statutaire regeling is de status onduidelijk. Nietigheid of niettegenwerpbaarheid is de meest voor de hand liggende sanctie, maar een grondslag daarvoor zie ik niet direct.9