Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/3.3.2
3.3.2 Mate van harmonisatie Overnamerichtlijn
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365102:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Prechal 2005, p. 40-41 en p. 73-76.
Vgl. Kapteyn/VerLoren van Themaat 2008, p. 318 en Hofhuis 2006, p. 9-10.
Deze mogelijkheid is in haar huidige redactie pas in allerlaatste instantie ingevoegd, zie amendement 13 van het parlement in haar zitting van 8 december 2003 (PE 327.239). Uit de toelichting daarop blijkt dat dit is “voorgekookt” in het compromisvoorstel van de Raad en het Italiaanse voorzitterschap (zie toelichting op amendement 1 en de notulen van de vergaderingen van 26 en 27 november 2003 van de Europese Raad).
Vgl. Prechal 2005, p. 74: “It is fairly obvious that the more precise and detailed the content of a directive, the less room for manoeuvre is left […], with respect not only to the substance of themeasures but also to the mode of implementation.”
Zie onder meer ESME 2008 – Preliminary views acting in concert. In beginsel negatief daarover European Company Law Experts 2013, p. 4-6 hoewel zij dat wel wenselijk achten ten aanzien van bepaalde onderdelen uit de acting in concert-regeling. Zo betogen zij enerzijds dat lidstaten niet – in aanvulling op de richtlijnregeling – engagementactiviteiten als acting in concert mogen aanmerken, maar dat er wel de vrijheid moet bestaan om aanvullend naar nationaal recht ook een biedplicht te laten ontstaan zonder dat er effecten zijn verworven (waarbij deze auteurs mijns inziens ten onrechte aannemen dat dat laatste een aanvulling op de richtlijn vormt, zie nader § 13.2.2).
Om die reden pleit Winner 2014, p. 293 voor maximumharmonisatie, hoewel hij tegelijk erkent dat dat politiek waarschijnlijk niet haalbaar is.
Zie uitgebreid Winner 2014, p. 387-392.
In die richting European Company Law Experts 2013, p. 5.
Zie ook Hopt 2014, p. 164.
Volgens art. 288, derde alinea VWEU is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Hierin ligt weliswaar een duidelijke functiescheiding tussen EU-recht en nationaal recht besloten, maar geen antwoord op de vraag hoe ver de bevoegdheid van de lidstaten in ieder concreet geval reikt;1 dat moet blijken uit de desbetreffende richtlijn(bepaling).2
Voor wat betreft de Overnamerichtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in de richtlijn opgenomen beginselen, waaronder het beginsel dat indien een persoon de zeggenschap over een vennootschap verkrijgt, de overige houders van effecten dienen te worden beschermd (art. 3 lid 1 sub a Overnamerichtlijn). De richtlijn biedt evenwel de mogelijkheid om aanvullende voorwaarden en strengere voorschriften vast te stellen (art. 3 lid 2 sub b Overnamerichtlijn). Hieruit blijkt dat er sprake is van minimumharmonisatie. Daarnaast is het mogelijk om minder strengevoorschriften vast te stellen, tenzij hierdoor inbreuk wordt gemaakt op de beginselen van art. 3 (art. 4 lid 5 Overnamerichtlijn).3 Gelet op dat laatste zou men zelfs kunnen spreken van “minimumharmonisatie-light”.
Lidstaten hadden dus veel vrijheid bij de implementatie van de voorschriften uit de richtlijn. De richtlijn heeft hierdoor eerder het karakter van een richtsnoer, zelfs waar het de meest gedetailleerde voorschriften betreft. Daarbij moet wel bedacht worden dat naarmate een voorschrift uit de richtlijn directer of duidelijker strekt tot bescherming van de in art. 3 Overnamerichtlijn genoemde beginselen, afwijking in de nationale context minder snel is toegestaan. Onduidelijke normen zoals de acting in concert-regels (zie ook § 3.4.3) lenen zich waarschijnlijk eerder voor afwijking dan concretere biedingsregels, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de minimaal in het biedingsbericht op te nemen informatie (art. 6 lid 3 Overnamerichtlijn).4
Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de verschillende nationale regels binnen de EU sterk verschillen (zie uitgebreid hoofdstuk 5). Sommigen hebben in dat verband bepleit dat zou moeten worden gekozen voor maximumharmonisatie.5 Dat de richtlijn in dier voege aangepast zal gaan worden, lijkt onwaarschijnlijk, zeker nu de Europese toezichthouder ESMA eind 2013 beleidsregels heeft uitgevaardigd voor de nationale toezichthouders. Aangezien deze beleidsregels de facto bindend zijn, gaat hiervan een sterke harmoniserende werking uit (zie ook § 3.6 en § 16.3.5). Hierbij past wel een kanttekening. Dit soort harmonisatie van “onderaf”, dat wil zeggen via de ESMA-beleidsregels voor de nationale toezichthouders, strekt er voornamelijk toe de nationale regels gelijk te trekken, zonder ze te veranderen;6 die bevoegdheid hebben toezichthouders nu eenmaal niet. Harmonisatie kan dan leiden tot weliswaar dezelfde, maar onduidelijke of anderszins suboptimale nationale regels.7 In het ongunstigste geval beïnvloedt harmonisatie de rechtszekerheid zelfs negatief.8 Dat is (mogelijk) anders bij harmonisatie “bovenlangs”, via de richtlijn zelf, indien wordt gekozen voor maximumharmonisatie, of via een verordening9 .