TvI 2025/11
WHOA: ‘de slechte vs de goede brief’ en het belang van meer inzichtelijke WHOA-rechtspraak
Prof. dr. R.J. de Weijs, datum 05-06-2025
- Datum
05-06-2025
- Auteur
Prof. dr. R.J. de Weijs2
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13964:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
De verplichtingen zijn geformuleerd als eisen die aan het akkoord worden gesteld. Het akkoord is uiteraard geen normadressaat. Als de schuldenaar het akkoord aanbiedt (art. 370 lid 1 Fw), rusten deze informatieverplichtingen daarmee op de schuldenaar. Als de Herstructureringsdeskundige (‘HD’) het akkoord aanbiedt (art. 371 lid 1 Fw), dan rusten deze verplichtingen op de HD.
Prof. dr. R.J. de Weijs is hoogleraar insolventierecht aan de UvA en advocaat te Amsterdam.
Zie Rb. Amsterdam 21 maart 2024, JOR 2024/177, m.nt. Van Rossum (McDermott). Reficar als schuldeiser in de WHOA-procedure zou in faillissement niets krijgen. Het akkoord zoals aangenomen voorzag erin dat Reficar 19.9% van de aandelen zou krijgen met een geschatte waarde van USD 900 miljoen.
De WHOA is geïnspireerd door het Amerikaanse recht. In 2017 noemde de Amerikaanse Supreme Court, de Absolute Priority Rule: “quite appropriately, bankruptcy’s most important and famous rule” en “the cornerstone of reorganization practice and theory”. Zie US Supreme Court, Czyzewski v. Jevic Holding Corp, (137 S. Ct. 973) 22 maart 2017.
Zie K.H. van Boekel & M.S. Breeman, ‘Kroniek WHOA: 2,5 jaar WHOA-uitspraken’, TvI 2023/37 en ‘Kroniek WHOA: 2023-2024’, TvI 2024/37.
Zie Evaluatierapport Wet Homologatie Onderhands Akkoord in opdracht van het WODC (2023) (https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/3338), p. 47: “Van de absolute priority rule wordt veelvuldig afgeweken. Dat geschiedt doorgaans met instemming van de klasse die minder ontvangt dan zij volgens de rangorde zou ontvangen. (…) Dat gebeurde ook in een aantal gevallen waarin een klasse niet instemde, maar omdat geen schuldeiser een verzoek tot afwijzing van de homologatie indiende kwam de absolute priority rule niet tot toepassing.”
Evaluatierapport Wet Homologatie Onderhands Akkoord in opdracht van het WODC (2023), p. 136. Verder adviseren de onderzoekers geheel terecht dat het griffierecht voor dergelijke bezwaren zou moeten worden afgeschaft (p. 136 en 137). Inmiddels heeft de minister een voorstel gedaan het griffierecht van de laagste categorie te berekenen, zijnde € 714 voor niet-natuurlijke personen. Zie Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 20XX, 18 maart 2025.
Zie W.J. Bartstra & A. Tavakolnia, ‘De verdeling die niet kan worden aangeboden, kan ook niet tot stand komen’, TvI 2024/33.
Een alternatief plan van een schuldeiser is daarmee niet per se waardeloos, zoals blijkt uit Rb. Overijssel 8 oktober 2024, JOR 2025/19, m.nt. Frentz. In dat geval lag er een alternatief plan. Hoewel de rechtbank overweegt dat een beter alternatief (voor schuldeisers) niet dwingt tot afwijzing van het verzoek tot homologatie (r.o. 5.18), overweegt de rechtbank direct opvolgend dat van verzoekster verwacht mocht worden dat zij dit alternatieve plan serieus overweegt en inzicht geeft in de redenen om aan haar eigen plan vast te houden (r.o. 5.19).
Zie over alternatieve scenario’s na afwijzing van homologatie, A.M. Mennens, ‘Second thoughts over twee(de) kansen’, TvI 2025/6. Zij analyseert de mogelijkheden van een surséance na een afgewezen homologatieverzoek. Problematisch is, zoals Mennens beschrijft, dat de surséance nog minder bescherming biedt aan de gezamenlijke concurrente schuldeisers dan de WHOA omdat de surséance geen voorrangsregel kent. Zie verder als mogelijkheid het verloop van de WHOA-procedure Rb. Overijssel 8 oktober 2024, JOR 2025/19, m.nt. Frentz. De homologatie werd geweigerd, maar de aanstelling van de observator werd ingetrokken waarbij deze direct tot HD werd benoemd, welke HD dan nog wel een akkoord zou kunnen aanbieden omdat alleen de schuldenaar op grond van art. 369 lid 5 Fw drie jaar is uitgesloten.
De relatief zwakke positie van schuldeisers in verhouding tot de schuldenaar is niet beperkt tot het aanbiedingsrecht. Alleen de schuldenaar en de HD kunnen een aspectenverzoek doen, niet de schuldeisers (art. 378 lid 1 Fw). Bij een aspectenverzoek kunnen schuldeisers in de gelegenheid gesteld worden een zienswijze te geven. In dat geval heeft een aspectenverzoek gezag van gewijsde in verhouding tot die schuldeiser (art. 378 lid 9 Fw). Dit is een merkwaardige gang van zaken, aangezien in een civielrechtelijk geschil hier slechts één partij het geschil of onderdelen daarvan aan de rechter kan voorleggen. Tegelijkertijd moeten schuldeisers wel de hele tijd hyperalert blijven. Als schuldeisers ontwikkelingen in het aan te bieden akkoord zien waar zij bezwaar tegen hebben, moeten zij dit laten weten. Dit moet gedaan worden aan de schuldenaar of de HD, want een rechtsingang hebben zij niet. Als zij dit niet doen, riskeren zij het oordeel dat zij te laat zijn met hun bezwaren (art. 383 lid 9 Fw).
Zie Rb. Zeeland-West-Brabant 31 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:524. Zie over dit vonnis, ook bovenal in termen van transparantie, Bas Kramer, https://www.online-hero.nl/art/5150/de-liquidatiewaarde-kijk-verder-dan-je-eigen-actief.
Zie uit gehomologeerde vonnissen in de periode augustus 2023-augustus 2024, de periode van Kroniek WHOA: 2023-2024, TvI 2024/37 (niet uitputtend): - Niet duidelijk wie aandeelhouder is na homologatie is het vonnis van Rb. Rotterdam 14 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2351 (Opleidingen en trainingen). Het vonnis biedt niet werkelijk een staatje als hier in de tekst weergegeven, maar een opsomming, echter zonder aandacht naar de vraag wie de aandelen heeft na reorganisatie.- Niet duidelijk wie aandeelhouder is na homologatie is het vonnis van Rb. Zeeland-West-Brabant 17 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3447, JOR 2024/212, m.nt. M.D. Schuilwerve.- Een tussencategorie betreft Rb. Midden-Nederland 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4187, JOR 2023/299, m.nt. C.R. Zijderveld (Leverancier aan Hotels). Hierin krijgt kennelijk een nieuwe financier 25% van de aandelen in verzoekster, kennelijk implicerend dat de resterende 75% bij de oude aandeelhouder blijft.- Wel duidelijkheid dat oude aandeelhouder exit is, biedt Rb. Gelderland 4 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7127, JOR 2024/78, m.nt. M.S. Breeman. De Rechtbank overweegt: “De [naam familie] en/of aan hen verbonden (rechts)personen behouden na totstandkoming van de akkoorden en de overdracht van de aandelen in Beheer aan de koper geen direct of indirect aandelenbelang in verzoekster en de hiervoor genoemde verbonden (akkoord-)entiteiten of de [groep].”
Zie uit gehomologeerde vonnissen in de periode augustus 2023-augustus 2024 (niet uitputtend).- Wel expliciet over de omvang van de going concern waarde is het vonnis van Rb. Midden-Nederland 3 augustus 2023 (in r.o. 3.13 en 3.15), ECLI:NL:RBMNE:2023:4187, JOR 2023/299, m.nt. C.R. Zijderveld (Leverancier aan Hotels).- Niet expliciet over de omvang van de going concern waarde is het vonnis van Rb. 14 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2351 (Opleidingen en trainingen). Het vonnis bevat de opmerking: “De externe deskundige Alfa Consultants heeft berekeningen gemaakt van de reorganisatiewaarde van de onderneming en van de bij vereffening in faillissement te realiseren waarde. Het liquidatiescenario komt erop neer dat in een faillissement, na afwikkeling van de positie van de pandhouder, inroeping van de aan de verhuurder afgegeven bankgarantie en voldoening van de verwachte boedelschulden, geen uitkering aan de preferente en concurrente schuldeisers van verzoekster zal kunnen plaatsvinden.”- Niet expliciet over de omvang van de going concern waarde is verder het vonnis van Rb. Zeeland-West-Brabant 17 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3447, JOR 2024/212, m.nt. M.D. Schuilwerve. Hierin wordt door de rechtbank in het vonnis niet duidelijk de going concern waarde van een groepsakkoord besproken. De overheidscrediteur maakt wel bezwaar en het volgende is daarover opgenomen: “Voor zover de rechtbank het homologatieverzoek wel ontvankelijk acht, stelt de [overheidsinstelling 1] dat de afwijzingsgrond van artikel 384 lid 2 sub i Fw zich hier voordoet; De WHOA-procedure is niet bedoeld voor het saneren van schulden die (in ieder geval deels) zijn ontstaan als gevolg van (de wijze van financiering van) een overname van een gedeelte van de aandelen tegen een te hoge EBITDA, waarbij de ondernemingen die zijn overgenomen hun eigen overname betalen.Daarnaast worden in het kader van een onderhands akkoord van topholding [B.V. 4], intercompany-vorderingen kwijtgescholden van verzoeksters op [B.V. 4]. Dit resulteert uiteindelijk in een geconsolideerd groepsvermogen op 31 december 2023 van € 6.649.000,00, terwijl de [overheidsinstelling 1] wordt gevraagd een (groot) deel van de belastingschuld van verzoeksters kwijt te schelden.”- Verder geeft het homologatievonnis Rb. Zeeland-West-Brabant 31 januari 2025 waaruit de tabel in de tekst is ontleend wel de liquidatie- en going concern waarde weer. Zie over de resterende onduidelijkheden, Bas Kramer, https://www.online-hero.nl/art/5150/de-liquidatiewaarde-kijk-verder-dan-je-eigen-actief.
Zie bijvoorbeeld McDermott (Rb. Amsterdam 21 maart 2024, JOR 2024/177 m.nt. Van Rossum), waarbij Reficar op haar vordering van USD 1,35 miljard 20% van de aandelen in McDermott kreeg met een geschatte waarde van 900 miljoen. Zie verder als voorbeeld waar zowel de waarderingen als de allocatie van aanspraken geheel helder werd weergegeven Rb. Zeeland-West-Brabant 26 mei 2023, JOR 2023/277 m.nt. Struycken (Vroon).
Zie echter Rb. Midden-Nederland 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4187, JOR 2023/299, m.nt. C.R. Zijderveld (Leverancier aan Hotels). Ietwat lastig binnen de mogelijke lijn van overwegingen dat als er niets is opgenomen in het vonnis omtrent de gerechtigdheid tot de aandelen, dat deze dan bij de oude aandeelhouder zouden blijven, is de volgende overweging van de rechtbank: “Aandeelhouders en gelieerde partijen ontvangen onder het akkoord geen uitkering.” Waarschijnlijk ziet dat op uitkeringen van schuldposities gehouden door de aandeelhouder en niet op het behouden van aandelen an sich.
Zie ook expliciet het WHOA-homologatie vonnis met afwijzing, onder meer vanwege schending van de voorrangsregel zonder dat uit het vonnis blijkt dat hier expliciet een beroep op is gedaan, Rb. Overijssel 8 oktober 2024, JOR 2025/19, m.nt. Frentz. Zie r.o. 5.21: “Uit artikel 384 lid 4 onder b Fw volgt dat de reorganisatiewaarde moet worden verdeeld conform de wettelijke rangorde uit artikel 3:277 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat (1) in beginsel de gehele reorganisatiewaarde aan de schuldeisers moet worden uitgekeerd en (2) dat de leden van een hoger gerangschikte klasse in het akkoord eerst geheel moeten zijn voldaan voordat enige waarde mag overvloeien naar een lager gerangschikte klasse.”
De werkelijke waarde van de aandelen (Equity Value) is daarmee nog niet gegeven. Wel is dan een voldoende basis gegeven voor normale waarderingen. Hierbij dient bedacht te worden dat als de vennootschap in steady state verkeert, dat de handelscrediteuren dan in beginsel geen rol spelen bij de waardering van de Equity Value (waarde van de aandelen). Het betere akkoord laat handelscrediteuren buiten schot. Als zij reeds in een akkoord betrokken worden, zou dat alleen moeten gebeuren voor een niet-houdbare overstand van handelscrediteuren (oftewel debt like). Een waarde-allocatie aan handelscrediteuren onder het akkoord voor posities die steeds ververst worden, is geen werkelijke waarde-allocatie aan die schuldeisers, maar betekent de facto meer waarde voor de aandeelhouders. Zie over het buiten de waardering van de Equity Value houden van de handelscrediteuren, J.A. de Vries & R.J. de Weijs, ‘Corporate Finance en Ondernemingswaardering’, in: Grenzen aan Financieringsvrijheid, Deventer: Wolters Kluwer 2020, hoofdstuk 3. Deze complicaties bij de stap van boekhoudkundige waardering van het eigen vermogen naar de waarde van de aandelen en de rol van handelscrediteuren daarbij, wordt hier verder nog niet uitgewerkt.
Het einddoel van een WHOA-traject is een akkoord dat door de rechtbank wordt gehomologeerd. Aan dit akkoord kunnen onder nadere voorwaarden ook tegenstemmende schuldeisers en zelfs hele klassen van tegenstemmende schuldeisers gebonden worden. De wetgever heeft in art. 375 Fw voor de schuldenaar informatieverplichtingen opgenomen omtrent de liquidatiewaarde en de going concern waarde en omtrent de financiële gevolgen van het akkoord voor schuldeisers en aandeelhouders.1 Dit betreffen kernverplichtingen voor de schuldenaar onder de WHOA, zonder welke informatie de contouren van het speelveld voor schuldeisers onzichtbaar zijn (§ 1). In de WHOA-rechtspraak dienen deze kernelementen veel duidelijker terug te keren dan nu het geval is. Het opnemen van deze informatie in WHOA-vonnissen bevordert ten eerste de beoogde transparantie van de schuldenaar jegens schuldeisers gedurende het WHOA-traject. Ten tweede is deze informatie noodzakelijk voor derden (journalisten, rechtzoekenden in andere zaken, advocaten, academici etc.) om überhaupt inzicht te krijgen in de werking van het akkoord. Niet-inzichtelijke rechtspraak kan bezwaarlijk als openbare rechtspraak gelden (§ 2).
1. De slechte vs de goede brief
Stel, een schuldeiser krijgt de volgende brief van een schuldenaar die een WHOA-traject is gestart.
Geachte crediteur,
We berichten u als een van onze 3 crediteuren, waarbij elke crediteur een gelijke vordering heeft van €100 uit hoofde van een rentedragende lening. Onze totale schuldenlast is daarmee €300.
We hebben slecht nieuws en goed nieuws.
Het slechte nieuws is dat wij u niet kunnen betalen. Als we nu faillissement aanvragen en alles zouden laten liquideren, dan is de verwachte opbrengst slechts €75 en bedragen de kosten van de curator €30. U zou dan ook hooguit €15 ieder krijgen na verloop van een aantal jaren. Zie ter onderbouwing van deze berekeningen de aangehechte rapporten van twee onafhankelijke accountants.
Het goede nieuws is dat als we reorganiseren, het management vervangen en een nieuwe business strategy implementeren, we ieder van u €25 binnen 3 maanden kunnen betalen.
Kunt u svp per omgaande deze brief ondertekenen, waarmee u instemt met het afschrijven van uw vordering tot 25% van de hoofdvordering.
Met vriendelijke groet,
Uw beschaamde, maar tegelijkertijd optimistische schuldenaar
Dit is een slechte brief omdat de brief een hoog ‘balletje-balletje’-gehalte heeft. De brief is namelijk nogal misleidend naar schuldeisers omdat niet alle betrokkenen en niet alle posities weergegeven worden. Om het gebrek aan informatie en transparantie duidelijk te maken, worden eerst de cijfers uit de brief van de situatie zonder akkoord in een balans gezet.
Activa (liquidatiewaarde)
Passiva
Machines 75
Eigen Vermogen -225
Schulden 300
Totaal 75
Totaal 75
Dit is de balans gebaseerd op liquidatiewaarde. De schuldeisers zullen na aftrek van kosten van € 30, uit de dan resterende € 45 ieder € 15 ontvangen. Het in de brief voorgestelde akkoord geeft de schuldeisers meer dan hetgeen de schuldeisers in een faillissement zouden ontvangen, namelijk iedere schuldeiser € 25 en daarmee € 75 in totaal. Daarmee zou het akkoord aan de lage drempel van de no creditor worse off-test (art. 384 lid 3 Fw) voldoen.
De archetypische WHOA-casus kent echter een hogere going concern waarde. Het streven naar een hogere going concern waarde voor schuldeisers of meer algemeen de stakeholders, is immers de onderliggende rechtvaardiging van de WHOA. Hoeveel hoger de going concern waarde is, vermeldt de brief niet. De liquidatiewaarde en de going concern waarde kunnen ver uit elkaar liggen. In de WHOA-procedure ten aanzien van McDermott lijkt het verschil in de ordegrootte van USD 4 miljard te liggen.3 Voor de onderliggende casus uit de brief wordt hier aangenomen dat het verschil minder spectaculair is dan bij McDermott en dat de going concern waarde € 140 is. Als nu nog een keer de cijfers uit de brief in een balans worden gezet, maar dan met het reorganisatiescenario, wordt duidelijk wat hier zou gebeuren als de schuldeisers op basis van ‘de slechte brief’ zouden hebben ingestemd met het akkoord.
Activa (going concern)
Passiva
Machines 140
Eigen Vermogen 65
Schulden 75
Totaal 140
Totaal 140
De schuldeisers zijn op basis van het akkoord beter af dan in faillissement. Nu de brief en daarmee het akkoord niets regelt omtrent de gerechtigdheid tot de aandelen en de aandeelhouder daarmee ‘buiten het akkoord houdt’, zal de oude aandeelhouder blijven zitten. De schuldeisers krijgen ieder € 25. De aandeelhouder blijkt nu degene te zijn die het meeste baat heeft bij het akkoord. Zonder dat dit in de brief geëxpliciteerd wordt, blijkt de oude aandeelhouder € 65 aan waarde onder het akkoord te ontvangen.
De voorrangsregel in art. 384 lid 4 sub b Fw is de belangrijkste regel van de WHOA. Deze regel beschermt de schuldeisers onder een akkoord, zodat zij als klasse niet worden afgescheept met net iets meer dan de liquidatiewaarde, terwijl de aandeelhouder de gehele reorganisatiewaarde of het leeuwendeel daarvan behoudt. De voorrangsregel beschermt schuldeisers daarmee tegen opportunistisch gebruik van de WHOA door schuldenaren en hun aandeelhouders.4 Daarbij dient echter bedacht te worden dat een schuldeiser alleen een beroep kan doen op de WHOA-voorrangsregel als de klasse waarin deze zich bevindt niet bij meerderheid voor het akkoord heeft gestemd.
De goede brief is dan ook een brief die expliciet drie extra onderdelen bevat, namelijk i) de going concern waarde; ii) wie de aandelen na reorganisatie houdt; en iii) welke waarde die aandelen vertegenwoordigen. De goede brief luidt dan als volgt.
Geachte crediteur,
We berichten u als een van onze 3 crediteuren, waarbij elke crediteur een gelijke vordering heeft van €100 uit hoofde van een rentedragende lening. Onze totale schuldenlast is daarmee €300.
We hebben slecht nieuws en goed nieuws.
Het slechte nieuws is dat wij u niet kunnen betalen. Als we nu faillissement aanvragen en alles zouden laten liquideren, dan is de verwachte opbrengst slechts €75 en de kosten van de curator €30. U zou dan ook hooguit €15 ieder krijgen na verloop van een aantal jaren.
Het goede nieuws is dat als we reorganiseren, we de going concern waarde kunnen behouden welke begroot is op €140. Zie voor zowel de liquidatiewaarde als de going concern waarde het bijgevoegde accountantsrapport.
Kunt u svp deze brief ondertekenen waarmee u instemt met het afschrijven van uw vordering tot 25% van de hoofdvordering en [0%] – [33,3%] van de aandelen in de gereorganiseerde vennootschap verkrijgt met een geschatte waarde van [X]. Voor zover u als schuldeisers niet alle aandelen krijgt, zullen de resterende aandelen toe blijven komen aan de zittende aandeelhouder, met een waarde van [Y].
Uw beschaamde, maar tegelijkertijd optimistische schuldenaar
Het is niet in het belang van de aandeelhouders van de schuldenaar om hier eigener beweging maximale transparantie te betrachten omtrent de waarde die niet naar de schuldeisers gaat. De wetgever dwingt de schuldenaar echter op dit punt openheid van zaken te geven. Art. 375 Fw schrijft in het algemeen voor dat het akkoord ‘alle informatie moet bevatten’ die stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders nodig hebben om zich voor het plaatsvinden van de stemming ‘een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord’. Vervolgens wordt een aantal elementen genoemd.
Art. 375 lid 1 sub f en e Fw vergen respectievelijk dat de liquidatiewaarde in faillissement en de going concern waarde inzichtelijk worden gemaakt. In het hier gebruikte hypothetische geval moet het akkoord dus zowel de liquidatiewaarde van € 75 als de going concern waarde van € 140 bevatten.
Art. 375 lid 1 sub d Fw schrijft vervolgens voor, dat het akkoord ook bevat, ‘de financiële gevolgen van het akkoord per klasse van schuldeisers en aandeelhouders’. Hiermee zou dus zowel moeten worden weergegeven hoeveel de schuldeisers zouden krijgen op hun vordering als hoeveel waarde aan hen toebedeelde aandelen vertegenwoordigen. Ook dient vermeld te worden hoeveel waarde er eventueel bij de oude aandeelhouder achter zou blijven, zo daar al sprake van zou zijn. Een redenering dat niet inzichtelijk gemaakt zou hoeven worden hoeveel de oude aandeelhouder onder het eerste akkoord zou ontvangen waarbij schuldeisers geen aandelen krijgen (slechte brief scenario), omdat het akkoord niet de positie van de positie van aandeelhouders zou raken, vormt geen zinvolle benadering van wat een akkoord behelst. Onder dat ‘slechte brief scenario’ zou de positie van de aandeelhouder verbeteren van een negatief eigen vermogen van minus € 225 en daarmee waardeloze aandelen naar een positief eigen vermogen van € 65 voor de aandeelhouder. Hier ziet men ook dat de effecten van ‘een schuldeiser buiten een akkoord houden’ heel anders zijn dan ‘het buiten het akkoord houden van een aandeelhouder’. Het buiten het akkoord houden van een schuldeiser betekent eenvoudigweg dat deze niet gekort wordt op diens vordering. Het ‘buiten het akkoord houden van een aandeelhouder’ is op z’n minst verhullend taalgebruik waarbij buiten zicht wordt gehouden dat waarde aan oude aandeelhouders toekomt na en door afschrijving van vorderingen van schuldeisers en al helemaal niet inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel waarde dat dan betreft.
De wetgever dwingt met art. 375 Fw de schuldenaar tot transparantie omtrent de liquidatiewaarde, going concern waarde en hoe het surplus verdeeld wordt over schuldeisers en aandeelhouders. Dit is echter slechts het wettelijke kader met verplichtingen voor de schuldenaar. In homologatievonnissen zou dezelfde inzichtelijkheid omtrent waardering en verdeling nagestreefd moeten worden als de wetgever voor ogen heeft gehad als basale transparantieverplichting voor de schuldenaar tijdens het WHOA-traject.
2. WHOA-rechtspraak en gebrek aan inzichtelijkheid
De WHOA-rechterspool heeft sinds de introductie van de WHOA in 2021 in ruim vier jaren tijd een ontzagwekkend bouwwerk van jurisprudentie opgetrokken. De WHOA is een fundamentele vernieuwing van ons insolventierecht en de rechtsontwikkeling van ons insolventierecht heeft de afgelopen jaren bovenal plaatsgevonden binnen de WHOA. De kronieken van de WHOA-rechtspraak5 in dit blad zijn dan ook de meest gelezen bijdragen.
Het voorziene eindpunt van een WHOA-traject is een vonnis. Het vonnis kan homologatie of weigering van homologatie van het aangeboden akkoord inhouden. Er bestaan ambtshalve weigeringsgronden en weigeringsgronden waaraan de rechter slechts op verzoek toetst. De no creditor worse off-test (art. 384 lid 3 Fw) is een weigeringsgrond op verzoek. De WHOA-voorrangsregel (art. 384 lid 4 sub b Fw) is ook een weigeringsgrond op verzoek. Er is echter opvallend weinig richtinggevende jurisprudentie over de voorrangsregel die ziet op de verhouding van schuldeisers tot aandeelhouder. Wel is duidelijk dat onder de WHOA veelvuldig van de rangorde wordt afgeweken. Dit is ook de conclusie van het WODC-onderzoek uit 2023.6
Een eenmaal aangevangen WHOA-traject krijgt snel het karakter van een rijdende trein. De WHOA gaat er namelijk van uit dat ook een akkoord dat niet door alle klassen is aangenomen, als uitgangspunt toch gehomologeerd wordt, mits er geen algemene weigeringsgronden zijn en een inthe money klasse van schuldeisers heeft ingestemd (art. 383 lid 1 Fw). Een schuldeiser die het niet eens is met het een aangeboden akkoord, moet een lange adem hebben om een akkoord tegen te houden. Ten eerste moet de schuldeiser tegen het akkoord stemmen. Vervolgens moet maar blijken dat de klasse waarin deze schuldeiser zich bevindt ook heeft tegengestemd. Een beroep op de voorrangsregel staat namelijk slechts open indien de klasse waarin de schuldeiser zich bevindt, heeft tegengestemd. Vervolgens moet de schuldeiser nog actief een beroep doen op de voorrangsregel van art. 384 lid 4 sub b Fw. Een verklaring die het WODC-rapport geeft voor de veelvuldige afwijkingen van de voorrangsregel, zonder dat dit gevolgd wordt door een beroep op de voorrangsregel, is dat de schuldeisers griffiegeld moeten betalen als zij zich op de voorrangsregel willen beroepen.7 Hoewel er geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt, zullen de kosten van rechtsbijstand hier doorgaans bij opgeteld moeten worden. Er is dus veel energie en ook geld nodig de rijdende WHOA-trein te stoppen. Hoewel deze redenen een deelverklaring kunnen vormen voor het beperkt inroepen van de voorrangsregel, is het niet aannemelijk dat dit de belangrijkste redenen zijn. Een meer voor de hand liggende verklaring voor de veelvuldige afwijkingen van de wettelijke rangorde zonder beroep op de voorrangsregel zal zijn, als uiteengezet door Bartstra en Tavakolnia eerder in dit blad,8 dat schuldeisers eigenlijk met de rug tegen de muur staan. Schuldeisers kunnen onder de WHOA namelijk niet zelf een ander plan aanbieden, zoals wel het geval is onder Chapter 11 met de mogelijkheid van een competing plan. Schuldeisers kunnen dus geen plan aanbieden dat de wettelijke rangorde wel althans beter respecteert.9 WHOA-plannen voldoen in de regel wél aan de no creditor worse off-test. Als schuldeisers dan tegen een plan stemmen en ook de voorrangsregel inroepen, zal een succesvol beroep tegen homologatie dus niet betekenen dat schuldeisers meer krijgen, zoals ook (de) aandelen in de gereorganiseerde vennootschap. Weigering van homologatie zal vaak eenvoudigweg in faillissement resulteren,10 zodat de schuldeisers door hun succesvolle beroep veelal slechter af zullen zijn.11 Principes en opkomen voor een belang wordt zo wel een erg dure aangelegenheid. De schuldeiser moet zich veel inspanningen getroosten en veel kosten maken, om uiteindelijk bij succes slechter af te zijn. Het is bovenal aan de wetgever om naar Amerikaans voorbeeld de schuldeisers uit hun benarde positie te bevrijden en de mogelijkheid van competing plans te introduceren.
Onder dit toch al ongelukkige gesternte voor de schuldeisers doet zich nog een ander probleem voor. De standaardvonnissen onder de WHOA maken namelijk niet inzichtelijk hoeveel waarde bij de zittende aandeelhouders achterblijft. De vonnissen expliciteren in de samenvatting van de akkoorden eigenlijk alleen hoeveel er in welke schuldeisersposities gesneden wordt. Hoeveel er uiteindelijk overblijft en hoe dat verdeeld wordt, is niet goed te reconstrueren. De typische weergave van een akkoord in een homologatievonnis is als volgt.12 Hierbij worden de klassen weergegeven en hoeveel zij gekort worden.
Klasse
Vordering
Aanbod
Uitkering cash
A: Groepsschuldeiser ([B.V. 2])
€ 1.254.365
blijft voor € 250.873
verbonden (20%)
-
B: [bank]
€ 11.868.530
blijft voor € 9.011.956
verbonden (75,93%)
-
C: Belastingdienst (loonheffingen)
€ 1.867.460
21,90%
€ 408.899
D: Concurrente schuldeisers
€ 677.929
20%
€ 135.586
E: de heer [verhuurder 1], MKB-schuldeiser en verhuurder
€ 52.172
20%
€ 10.434
F: verhuurders
€ 382.443
10%
€ 38.244
Akkoordvonnissen hanteren veelal min of meer dit format.13 Men zou dit prima vista kunnen zien als een duidelijke schematische weergave van een akkoord. Er zitten echter nogal wat hiaten in een dergelijke presentatie. Bovenal ontbreekt:
wat de boekwaarde van het eigen vermogen dan zou zijn; en
wie na homologatie tot het eigen vermogen gerechtigd is en wat hiervan de waarde is.
Hoewel homologatievonnissen veelal wel (maar niet altijd) vermelden wat de going concern waarde is,14 ontbreken heldere weergaven van de omvang van het eigen vermogen na reorganisatie en wie daartoe gerechtigd is. Daarmee wordt ook niet duidelijk of de schuldenaar wel inzichtelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen zijn van het akkoord voor schuldeisers en aandeelhouder als gevergd onder art. 375 lid 1 sub d Fw. Tegelijkertijd vormt het niet-voldoen aan deze verplichting een ambtshalve afwijzingsgrond onder art. 384 lid 2 sub c Fw.
Aldus wordt in vonnissen grotendeels buiten zicht gehouden hoeveel waarde er niet naar de schuldeisers gaat en waar die waarde dan wel naartoe gaat. De essentie van een akkoord is niet wie hoeveel niet krijgt. De essentie is wie hoeveel wel krijgt. Deze verdeling blijkt veelal helaas niet uit de WHOA-rechtspraak. Er zijn wel wat vonnissen waarin wel wordt besproken wie hoeveel procent van de aandelen heeft en hoeveel die waard zijn, maar dat zijn toch uitzonderingen.15 Een voorzichtige veronderstelling is dan maar dat de aandelen dan bij de oude aandeelhouder blijven.16 Hoeveel waarde het eigen vermogen vertegenwoordigt, wordt dan geenszins inzichtelijk gemaakt. Het is echter onwenselijk dat men op basis van homologatievonnissen maar zou moeten aannemen dat de oude aandeelhouder alle aandelen houdt, en vervolgens zou moeten gissen wat die aandelen waard zijn. Ook creëert de rechtspraak zo ten onrechte het beeld dat het uitgangspunt zou zijn dat de oude aandeelhouder niets hoeft in te leveren en dat het akkoord er alleen om draait om wat schuldeisers moeten schrappen van hun vordering. De wetgever gaat met de WHOA-voorrangsregel namelijk wel degelijk van het tegenovergestelde uit, dat er een rechtvaardiging moet zijn voor aandeelhouders die blijven zitten als schuldeisers hier als klasse niet mee instemmen.17
De WHOA-rechtspraak maakt daarmee niet inzichtelijk wat er echt gebeurt. Mede in het licht van de slechte procedurele positie van schuldeisers en het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep, is het gebrek aan inzichtelijkheid omtrent de essentialia van een akkoord problematisch. De WHOA is helaas en zeer opmerkelijk niet zo ingericht dat het voor schuldeisers altijd economisch verstandig is zich op hun rechten te beroepen. De inrichting van de WHOA vergt daarmee meer van de rechter dan bij een normale procedure op tegenspraak. Het betere WHOA-vonnis maakt dan ook inzichtelijk wat de going concern waarde is en wat daarmee de boekhoudkundige waarde van het eigen vermogen na reorganisatie is18 en wie daarbij welke vermogensrechtelijke aanspraken krijgt.
Waar de wetgever de schuldenaar dwingt tot transparantie omtrent de going concern waarde en wat de gevolgen van een akkoord zijn voor schuldeisers en aandeelhouders, is het aan de rechter te zorgen dat de verdeling van de going concern waarde in concreto ook inzichtelijk is. In alle stadia van een WHOA-procedure dient door de schuldenaar volledige transparantie betracht te worden omtrent de verdeling van waarde onder het akkoord en in alle stadia van een WHOA-procedure dient ervoor gewaakt te worden dat schuldeisers niet met net wat meer dan de liquidatiewaarde afgescheept worden. De beste manier daartoe is dat voor alle betrokkenen duidelijk is dat een homologatievonnis als openbare rechtspraak ook deze informatie op een heldere wijze moet weergeven en de rechter dit dus ook moet kunnen weergeven op basis van de door de schuldenaar aangeleverde informatie. Slechts op basis van openbare en inzichtelijke WHOA-rechtspraak is het voor de buitenwereld mogelijk te bezien of het akkoord een goed akkoord is of een hoog ‘balletje-balletje’-gehalte heeft.