Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.7.4
1.7.4 Onteigening
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702058:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uitgebreid § 3.2 t/m § 3.5.
Zie voor een overzicht: De Jongh 2012, § 2.2.
Uitgebreid over het verloop van de onteigenings- en schadeloosstellingsprocedure: Van der Gouw & Sluysmans 2015; Den Drijver-van Rijckevorsel e.a. 2013; Van der Schans & Van Heesbeen 2011; Sluysmans, Van der Gouw & Bosma 2011; Van der Feltz e.a. 2006.
Die nieuwe regeling is via een Aanvullingswet – de Aanvullingswet grondeigendom (Stb. 2020, 112) – in de Omgevingswet geïncorporeerd. ‘Aanvullingswetten’ zijn wetten die via een apart wetgevingstraject tot stand komen. Het zijn handige wetgevingsinstrumenten omdat zij controversiële onderwerpen buiten het algemene wetgevingsproduct houden. Het algemene wetgevingsproduct, in dit geval de Omgevingswet, wordt dan niet vertraagd door een van haar onderdelen.
Het onteigeningsrecht is een opvallend en separaat geregeld onderdeel van het overheidsaansprakelijkheidsrecht wegens rechtmatig handelen. Opvallend, omdat het onteigeningsrecht een geheel eigen en op zichzelf staande rechtsontwikkeling heeft doorgemaakt. 1Ook berust de materiële grondslag voor een schadevergoeding wegens onteigening niet op het égalité-beginsel. Er zijn in de wetenschap verschillende theorieën over de precieze rechtsgrondslag van een vergoeding wegens onteigening. 2In ieder geval is duidelijk dat de ontneming van eigendom conform de onteigeningswet altijd gepaard moet gaan met een schadeloosstelling. Dat wil zeggen een volledige vergoeding van alle schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening. Dat is een fundamenteel ander soort vergoeding dan een vergoeding die is gebaseerd op het égalité-beginsel. Die laatste leidt namelijk slechts tot een tegemoetkoming in schade.
Het onteigeningsrecht regelt grofweg de bevoegdheid van (meestal) de overheid om in het kader van het algemene belang, privé-eigendom van burgers of bedrijven te onteigenen. De grondwettelijke basis daarvoor is gegeven in art. 14 Gw. Alle verdere regels zijn neergelegd in de onteigeningswet. De onteigeningswet is een op het oog beknopte en eenvoudige wet. Schijn bedriegt echter, want de materiële regels – en dan met name waar het de vaststelling van de schadeloosstelling betreft – zijn niet of nauwelijks te vinden in de onteigeningswet. Daarvoor moet de rechtspraak van (voornamelijk) de Hoge Raad worden geraadpleegd.
Het verloop van de huidige onteigeningsprocedure bestaat uit twee fases. Uit die twee verschillende fases blijkt duidelijk hoe het onteigeningsrecht zich bevindt op het snijvlak van publiek- en privaatrecht. In de eerste fase – de administratieve (bestuurlijke) fase – wijst de Kroon bij Koninklijk Besluit de te onteigenen onroerende zaken aan. Dit Koninklijk Besluit tot onteigening is de bestuurlijke titel houdende het nut en de noodzaak van de onteigening en is tevens het ‘toegangsticket’ tot de tweede fase van de onteigeningsprocedure. De tweede fase – de gerechtelijke fase – is gericht op het uitspreken van de onteigening door de civiele rechter alsmede op het vaststellen van de (omvang van de) schadeloosstelling. 3
Ook de onteigeningswet zal opgaan in de Omgevingswet. Daartoe is een geheel nieuwe onteigeningsregeling ontworpen.4 De procedure die ziet op de eigendomsontneming wordt volledig binnen de bestuursrechtelijke kolom gebracht. Voortaan vindt de eigendomsontneming zijn grondslag in een onteigeningsbeschikking die moet worden bekrachtigd door de bestuursrechter. Die bekrachtiging vindt plaats door middel van een zogenaamde ‘bekrachtigingsprocedure’. De procedure voor de vaststelling van de schadeloosstelling wordt daarentegen minder ingrijpend veranderd. De vaststelling van de (omvang van de) schadeloosstelling blijft voorbehouden aan de civiele rechter.