Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.4.1
III.7.4.1 Het rechterlijk voorwaardelijk sepot
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS300740:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voorts artikel 12 van de meergenoemde Richtlijn 2012/29/EU.
Op die wijze wordt het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld zijn afwegingen te geven en eventueel zelf alsnog te kiezen voor de koninklijke weg door een niet-ontvankelijkheid te vorderen. Zie ook de beschrijving van de Duitse praktijk in Vanfraechem, Aertsen en Willemsens 2010 en Tak 2011. Daar moet het Openbaar Ministerie, op grond van het legaliteitsbeginsel, toestemming van de rechter vragen om de zaak af te doen met een voorwaardelijk sepot of een verklaring van beëindiging van de zaak. In Frankrijk en Oostenrijk (art. 34 lid 1 StPO) daarentegen mag het Openbaar Ministerie, ondanks het daar heersende legaliteitsbeginsel bij wijze van uitzondering zelfstandig beslissen over de vervolging en de toepassing van herstelrecht.
Zie ook Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 29, waar zij concluderen dat de rechtsfiguur van het voorwaardelijk sepot heroverweging behoeft. Voorts attenderen zij op de noodzaak van het in dat kader te verzorgen toezicht op de naleving van de in het kader van de herstelbemiddeling overeengekomen voorwaarden.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 9.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 82.
We denken daarbij aan een tweetal procesmodaliteiten. Ten eerste de invoering van een ‘rechterlijk voorwaardelijk sepot’. Wanneer de wetgever zich, zoals ook voorgeschreven door Europese regelgeving, committeert om de herstelbemiddeling (onder andere) voorafgaand aan de zitting te bevorderen, verplicht dat tot het scheppen van mogelijkheden daartoe. Die ruimte kan worden ingevuld door het Openbaar Ministerie, maar herstelrechtelijke toepassingen vragen uit hun aard om voldoende tijd. Tijd die in het bestek van het streven naar een efficiënte afdoening, gericht op het bevorderen van een snelle afdoening via de ZSM-werkwijze niet altijd aanwezig is. Weliswaar is er binnen de ZSM-werkwijze in toenemende mate aandacht voor een zorgvuldige, op maatwerk toegesneden afdoening, maar ook dan geldt dat het in gang zetten van een herstelrechtelijk traject tijd kost. Dan kan het gebeuren dat op het moment dat de zaak ter zitting is uitgeroepen blijkt dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat er draagvlak is voor herstelbemiddeling. De zaak is dan echter inmiddels aangebracht bij de rechter, en deze is gehouden een eindoordeel uit te spreken. Onzes inziens zou de rechter in dergelijke gevallen de zaak moeten aanhouden teneinde gelegenheid te bieden tot herstelbemiddeling. De bevoegdheid daartoe ligt onzes inziens besloten in de opdracht van de wetgever om rekening te houden met de uitkomsten van herstelbemiddeling (art. 51h lid 2 Sv). Die instructie ligt immers direct in het verlengde van de opdracht voor de politie en het Openbaar Ministerie om herstelbemiddeling te bevorderen. Ook van de rechter wordt daarbij medewerking verwacht.1 Zo’n beslissing zou gelet op het beginsel van hoor en wederhoor moeten worden genomen na het inwinnen van het standpunt van het Openbaar Ministerie,2 en gehoord hebbende de verdediging en (de advocaat van) het slachtoffer. De uitkomsten van de herstelbemiddeling zouden vervolgens op tweeërlei wijze kunnen worden verrekend. Ten eerste binnen de straftoemeting (zowel wat betreft de aard als de hoogte van de sanctie(modaliteit)), maar als tweede mogelijkheid ook in de vorm van een rechterlijk voorwaardelijk sepot.3 We kiezen hierbij voor een voorwaardelijk sepot om de naleving van de uit de herstelbemiddeling voortkomende vaststellingsovereenkomst te bewerkstelligen. Zo’n rechterlijk sepot zou gepaard moeten gaan met een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Dat kan ook via een ‘uitnodiging’ aan het Openbaar Ministerie een vordering van die strekking te doen.4 In dit verband wijzen we (wederom) op de door Cleven e.a. gesignaleerde verwarring (en de daaruit voortvloeiende afbreuk aan de legitimiteit van de herstelbemiddeling) die verdachten en slachtoffers ervaren wanneer na een geslaagde herstelbemiddeling de zaak ten principale wordt voortgezet bij de rechter.5