Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.4:2.6.4 Processuele aspecten van regres
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.4
2.6.4 Processuele aspecten van regres
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS590880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Boom 1999, p. 229-231.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In regresprocedures kan het gezag van gewijsde voor problemen zorgen. Stel: A, B en C zijn hoofdelijk verbonden schuldenaren. A betaalt de schuldeiser en zoekt dientengevolge regres bij B die door A wordt gedagvaard. Wanneer de rechter een oordeel velt over de draagplicht tussen A en B, staat, als gevolg van het gezag van gewijsde, de draagplicht tussen A en B vast in een zaak waarbij naast A en B ook C tot de procespartijen behoort. Dit is problematisch. Immers, om de draagplicht tussen A en B te bepalen moet de rechter naar de draagplicht van alle schuldenaren kijken. Het bepalen van de relatieve draagplicht tussen A en B volstaat niet. Ook al wordt C niet in vrijwaring opgeroepen en voegt C zich evenmin in de procedure, dan ontkomt de rechter er niet aan een oordeel te vellen over de draagplicht van C. Wat betekent dit wanneer A, C in rechte betrekt? Aangezien C geen partij is geweest in de eerdere procedure van A tegenover B, werkt het gezag van gewijsde niet tegenover C. Hij kan het oordeel van de rechter dus naast zich neerleggen. Wanneer A nu C aanspreekt in een volgende procedure kan de rechterlijke vaststelling van de draagplicht afwijken van het eerdere oordeel. Om kort te gaan: de beide uitspraken kunnen conflicteren.
Een voorbeeld. In de procedure tussen A en B heeft de rechter een draagplicht voor gelijke delen vastgesteld voor alle schuldenaren. Dit leidt ertoe dat A, B en C allen een 1/3 aandeel in de schuld hebben. Echter, in de procedure tussen A en C kan de draagplicht van alle schuldenaren door een andere maatstaf worden bepaald en dit resulteert in een ongelijke draagplicht, A (2/5), B (2/5 en (C 1/5). In vergelijking met het eerste vonnis komt C er in het tweede vonnis beter vanaf, terwijl het oordeel juist nadeliger uitvalt voor A. Ter voorkoming van de bovenstaande problematiek zouden idealiter alle schuldenaren moeten worden gedagvaard. Zodoende is het gezag van gewijsde van toepassing op alle schuldenaren als zijnde procespartijen. Daarnaast zou onder omstandigheden een actie uit onrechtvaardige verrijking of een billijkheidscorrectie soelaas kunnen bieden. Eén en ander voor zover het gezag van gewijsde zich hier niet tegen verzet.1