Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.3:2.6.3 Regres: vier scenario’s
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.3
2.6.3 Regres: vier scenario’s
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS590879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 109.
Het Common Law systeem kent nog wel omstandigheden waar de schuldenaren geen regres toekomt. Friedmann & Cohen 2007, p. 3. Vgl. met het Romeins recht dat de presterende hoofdelijk schuldenaar ook niet automatisch een regresrecht toekent.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het vormgeven van een regresstelsel staan de wetgever verschillende modellen ter beschikking. De keuze voor het ene stelsel of het andere stelsel laat zich leiden door antwoorden op vragen als: Wanneer is er sprake van regres? Op welke wijze dient de regresvordering te worden verhaald? Hoe wordt de omvang van het regres bepaald? Hoewel het regresstelsel van art. 6:10-14 BW met de rechtstelsels van de ons omringende landen veel overeenkomsten en historische verwantschap heeft, zijn de gemaakte stelselkeuzen niet zonder meer vanzelfsprekend. De grote verscheidenheid aan casuïstiek maakt het lastig om een systeem te ontwerpen dat in alle situaties balans vindt en tot redelijke uitkomsten leidt op een efficiënte en voor de praktijk hanteerbare wijze.
Het verhalen van een regresvordering kan volgens vier scenario’s. Stel: A, B en C zijn hoofdelijk aansprakelijk voor een schuld van € 150 en hebben onderling een evenredige draagplicht. A voldoet de schuld en wil regres nemen op C. A kan C aanspreken voor: (I) € 150 ingeval de regresvordering zich op het volle schuldbedrag richt en als hoofdelijke schuld is aangemerkt; (II) € 100 ingeval A zijn deel van de totale schuld moet afhalen. Hier is sprake van bij cascaderegres; (III) € 50 wanneer de bijdrageplicht als deelschuld is vormgegeven;1 (IV) € 75 ingeval een regeling als art. 6:13 BW geldt2 of er sprake is van een relatieve draagplicht, lijkend op de Duitse Einzelabwägung.
Het eerste scenario komt tegenwoordig niet meer voor. Aangezien A en C evenredig draagplichtig zijn, zal na het regres C een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking instellen tegen A voor de helft van de oorspronkelijke schuld. Geen van de continentale Europese codificaties hanteert een dergelijk stelsel.3 Scenario twee, het cascaderegres, wordt besproken in § 2.6.3.2. Scenario drie is het uitgangspunt in het regressysteem van art. 6:10 BW en is samen met scenario vier voor wat betreft art. 6:13 BW besproken in § 2.4. Onderstaand wordt eerst ingegaan op de relatieve en absolute draagplicht en daarna op het cascaderegres.
2.6.3.1 De relatieve en absolute draagplicht2.6.3.2 Einzelabwägung, Gesamtschau en de Kombinationstheorie2.6.3.3 Het cascaderegres