Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.3.5:8.3.5 Tussenconclusie
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.3.5
8.3.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248471:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de raad een belangrijke controlerende functie heeft, is een opvatting die pas langzaam zijn intrede heeft gedaan in het denken over het gemeentelijk bestuursmodel. Thorbecke en Oppenheim kenden er beiden weinig belang aan toe. Controle van het gemeentebestuur beschouwden zij vooral als een zaak van ingezetenen van de gemeente en van hogere overheden. De eersten werden daarin gefaciliteerd door openbaarheidsbepalingen, wat van groot belang werd geacht om de corruptie en vriendjespolitiek tegen te gaan die zo kenmerkend waren geweest voor het regentenbestuur van vóór 1848. Dat de raad zelf ook een belangrijke functie te vervullen heeft op het gebied van controle is een standpunt dat pas rond 1920 zijn intrede deed als discussiepunt. Door Van Poelje en zijn aanhangers werd de controlerende functie van de raad zelfs aangemerkt als zijn kerntaak. Waaruit controle dan precies moest bestaan, werd ondertussen nog niet gespecificeerd. Een belangrijke uitzondering daarop vormde controle van de gemeentelijke financiën, die in dezelfde periode enorm in complexiteit waren toegenomen. Controle van de financiën werd gaandeweg meer en meer gekoppeld aan deskundigheid en meer en meer op afstand geplaatst van de raad, onder andere door de introductie van de deskundige.
Veel van de praktijkontwikkelingen van voor de Tweede Wereldoorlog zetten zich na afloop daarvan ongewijzigd door. Onder invloed van de uitbouw van de verzorgingsstaat werd de rol van het college steeds prominenter en werden de gemeentelijke financiën nog complexer. Dit leidde de gemeentewetgever van 1992 ertoe de rol van de deskundige bij de rechtmatigheidscontrole van de gemeentelijke financiën nog meer centraal te stellen. Daarnaast deden zich na de Tweede Wereldoorlog ook enkele nieuwe ontwikkelingen voor. Waar voorheen het belang van controle ontleend werd aan rechtsstatelijke argumenten en het vooral een middel was om tot een juiste feitenvaststelling te komen, werd controle in toenemende mate ook gezien als een belangrijk element in de gemeentelijke democratie en een middel om politiek te bedrijven. De democratiseringsgolf van de jaren 60 speelde in deze ontwikkeling ongetwijfeld een grote rol. De uitbreiding van de verantwoordingsplicht over medebewind werd, bijvoorbeeld, al voor de Tweede Wereldoorlog beargumenteerd op basis van juridisch-systematische argumenten. Deze speelden bij invoering van de uitbreiding in 1969 nog steeds een belangrijke rol, maar werden nu aangevuld met het argument dat controle van beleid uitgevoerd in medebewind simpelweg ook een eis van democratie was. In de praktijk gebeurde hetzelfde met de ontslagbevoegdheid van de raad. Deze was bij de introductie bedoeld om de raad een extra check te geven op de macht van het college. Volgens de regering was het niet de bedoeling dat de raad er in politieke zin gebruik van zou maken. De mogelijkheid daartoe werd echter bewust opengelaten en met de politisering van de jaren 70 werd het gebruik ervan steeds meer gebaseerd op noties over democratie. Ten slotte veranderde ook het perspectief op openbaarheid van bestuur van karakter. Voor Thorbecke en zijn aanhangers was het een vorm van algemene rechtmatigheidscontrole en een check op de macht van het hele gemeentebestuur. In 1992 werd het daarentegen vooral van betekenis geacht als een van de pijlers van de democratie.