Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.9.2
5.9.2 Bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS303648:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 november 1927, NJ 1928, 364 (Kretzschmar/Mendes de Leon). De Hoge Raad hanteerde als onderscheidend criterium of hetgeen als bestuurders was gedaan van dien aard was ‘dat zij daardoor geacht kunnen worden persoonlijk eene onrechtmatige handeling te hebben gepleegd’.
Vgl. De Groot 2011, pp. 50 en 52.
Zie over dit begrip: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 200 alwaar naar relevante jurisprudentie wordt verwezen.
HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318 (Pelco/Sturkenboom). Zie hierover: De Valk 2009, p. 89 en 93 e.v.
Vgl. HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318 (Pelco/Sturkenboom), r.o. 3.6.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen). Zie over dit arrest: Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 469.
HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel); HR 10 juni 1994, NJ 1994, 766 (Romme/ Bakker); HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 (New Holland Belgium / Oosterhof) en HR 18 oktober 2002, JOR 2003, 22 (Uniekaas/Voerman).
De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn arrest HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 (New Holland Belgium/Oosterhof).
Schild 2015, par. 3 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 208.
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 (RvdW 2014,1014) (Tulip Air) en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 (RCI Financial Services).
Vgl. ook HR 4 april 2014, NJ 2014, 195 (Van der Valk c.s./Ingwersen q.q. en Mulder q.q.).
R.o. 3.5.
HR 23 november 2012, NJ 2013, 302 (Spaanse villa).
In het bijzonder HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
R.o. 3.4.1.
HR 23 mei 2014, JOR 2014, 229 (Kok/mr. Maas q.q.), r.o. 3.3.3: “Dit geval vertoont zoveel gelijkenis met het geval waarin aan de orde is of een bestuurder op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk is op de grond dat hij heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering, dat bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaven zoals vermeld in HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 […])”.
Al in 1927 oordeelde de Hoge Raad dat een bestuurder uit hoofde van een eigen onrechtmatige daad aansprakelijk was voor door de rechtspersoon gepleegde onrechtmatige daden.1 De rechtsontwikkeling heeft sindsdien niet stilgestaan en inmiddels is genoegzaam bekend dat de “wanprestatie” (toerekenbare tekortkoming) of onrechtmatige daad van de bestuurde rechtspersoon onder omstandigheden tevens een onrechtmatige daad van de bestuurder daarvan kan betekenen. Dit doet zich voor indien de bestuurder handelt in strijd met de zorgvuldigheid die hij persoonlijk tegenover een gelaedeerde in acht behoort te nemen. Er kan dan sprake zijn van een onrechtmatige daad gepleegd door de bestuurder zelf, bijvoorbeeld wegens het benadelen van schuldeisers. Van een benadeling van schuldeisers kan in elk geval sprake zijn ingeval schuldeisers selectief worden betaald, ingeval sprake is van betalingsonwil, in het geval dat verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd, indien de schijn van kredietwaardigheid wordt gewekt of in het geval dat sprake is van schending van de zogenoemde “Beklamel-norm”. Van schending van laatstgemelde norm spreekt men indien een bestuurder namens de door hem bestuurde rechtspersoon verplichtingen aangaat, terwijl de betreffende bestuurder ten tijde van het aangaan van die verplichtingen weet, dan wel behoort te weten dat de rechtspersoon die verplichtingen niet zal kunnen nakomen en geen verhaal biedt voor de schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming (“wanprestatie”). Indien aan de vereisten gesteld in art. 6:162 BW voldaan is, kan de gelaedeerde de betreffende bestuurder rechtstreeks aanspreken.2 De gelaedeerde dient alsdan ten aanzien van de betreffende bestuurder onder meer te bewijzen dat laatstgenoemde zich schuldig heeft gemaakt aan een maatschappelijk onzorgvuldig handelen of nalaten. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW is persoonlijke verwijtbaarheid aan de zijde van de bestuurder in kwestie vereist. De bestuurder dient persoonlijk een voldoende ernstig verwijt gemaakt te kunnen worden. Dat “persoonlijk ernstig verwijt” vormt een belangrijk criterium bij de bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW.3
Er dient sprake te zijn van een eigen gedraging van de bestuurder. Het arrest Pelco/Sturkenboom handelt over een tegen een (mede)bestuurder ingestelde vordering. De Hoge Raad overweegt in dat arrest uitdrukkelijk dat in geval van een aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad een vorm van collectieve verantwoordelijkheid met een daaraan gekoppelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet aan de orde is.4 Men kan blijkens het arrest Pelco/Sturkenboom alleen de handelende bestuurder aanspreken en niet diens medebestuurder, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn en de medebestuurder anderszins nauw bij de betreffende overeenkomst of handeling betrokken is geweest. Persoonlijke verwijtbaarheid is derhalve vereist.5
Een ander belangrijk arrest in dat kader is het arrest Ontvanger-Roelofsen.6
Aan dat arrest ligt de situatie ten grondslag waarin een schuldeiser van een rechtspersoon wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op de rechtspersoon. De Hoge Raad gaat in op de aansprakelijkheid van de bestuurder die namens de (bestuurde) rechtspersoon de verbintenis is aangegaan, dan wel heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de (bestuurde) rechtspersoon zijn verplichtingen niet nakomt.7
De Hoge Raad oordeelt dat het in een dergelijk geval gaat om benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal volgens de Hoge Raad naast de aansprakelijkheid van de rechtspersoon mogelijk ook – afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval – grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de rechtspersoon heeft gehandeld, dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen – zo vervolgt de Hoge Raad – alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de rechtspersoon onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem – mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW – een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.8
De vraag of een bestuurder maatschappelijk onbetamelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld jegens een derde in de zin van art. 6:162 BW wordt (mede) ingekleurd door de ernstig verwijt-norm uit art. 2:9 BW. De wettelijke norm voor interne aansprakelijkheid heeft aldus een zekere reflexwerking naar de norm die geldt voor externe aansprakelijkheid.9 Een bestuurder pleegt slechts dan een onrechtmatige daad jegens een derde, indien deze derde de bestuurder “persoonlijk een ernstig verwijt” kan maken.10
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is volgens de Hoge Raad in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de rechtspersoon aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet zijn verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn indien komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze zijn verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.11 Er kunnen zich echter volgens de Hoge Raad ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.12
Hiervoor gaat het om onrechtmatig handelen van de bestuurder van een rechtspersoon. Onder omstandigheden kan een bestuurder ook voor onrechtmatig handelen van de rechtspersoon zelf persoonlijk aansprakelijk worden gehouden.
De Hoge Raad overweegt in een arrest uit 201213 namelijk – nadat hij heeft opgemerkt dat het middel zich ter ondersteuning van de klachten beroept op de in de rechtspraak van de Hoge Raad14 ontwikkelde criteria voor de aansprakelijkheid jegens derden van bestuurders van rechtspersonen – dat bedoelde rechtspraak ziet op een eventuele aansprakelijkheid van de bestuurder in een situatie waarin een schuldeiser van de rechtspersoon wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op de rechtspersoon. Daarbij gaat het om gevallen waarin de bestuurder (i) namens de rechtspersoon een verbintenis is aangegaan, dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In deze gevallen is volgens de Hoge Raad voor aansprakelijkheid van de bestuurder vereist dat hem (persoonlijk) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Eenzelfde maatstaf is volgens de Hoge Raad op zijn plaats bij beantwoording van de vraag of een bestuurder aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen van de rechtspersoon. Ook daarvoor kan de bestuurder slechts (naast de rechtspersoon) persoonlijk aansprakelijk gehouden worden – aldus de Hoge Raad – indien hem ter zake van het onrechtmatig handelen van de rechtspersoon persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt op de grond dat hij dat handelen in verband met de kenbare belangen van de benadeelde had behoren te voorkomen.15
Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is voormelde norm uit het arrest Ontvanger/Roelofsen eveneens van toepassing op de tweedegraads bestuurder.16