Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.4.3.1
14.3.4.3.1 Box 1-vermogen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232798:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uitzonderingen zijn de eigen woning en daarmee samenhangende vermogensbestanddelen (zoals een kapitaalverzekering eigen woning) en een aanspraak op periodieke uitkeringen, die onder omstandigheden wellicht in een APV ingebracht kunnen worden. Bovendien zal zich in veel gevallen geen genietingstijdstip voordoen bij de sfeerovergang (vergelijk artikel 3.146 lid 1 Wet IB 2001), tenzij sprake is van een tegen misbruik gerichte fictie. Het gaat mijns inziens het bestek van dit onderzoek echter te buiten om op alle mogelijke uitzonderingssituaties in te gaan.
Met als eventuele uitzondering een in Nederland gevestigd doelvermogen zonder rechtspersoonlijkheid, dat buiten alle in artikel 2 lid 1 Wet Vpb genoemde situaties zou kunnen vallen (men kan zich met Boer afvragen of dit een omissie van de wetgever is, zie dissertatie 2011, paragraaf 9.2.2). Naar verwachting komt deze situatie niet of weinig voor, maar bij een in Nederland gevestigd trust(ee) lijkt dit denkbaar.
Het is niet volledig uitgesloten dat het APV onder een subjectieve vrijstelling valt; toepassing van de vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb is onder specifieke omstandigheden denkbaar, sinds per 1 januari 2012 de beperking tot algemeen maatschappelijk of sociaal belang behartigende lichamen vervallen is.
Behoudens indien de inbreng van de onderneming voor 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden. Dan valt in het verlengde van artikel 10a.7 lid 4 Wet IB 2001 wellicht te betogen dat de (gecorrigeerde) historische boekwaarden gehanteerd dienen te worden. Strikt genomen heeft deze bepaling echter slechts betrekking op de situatie waarin de toerekening op 1 januari 2010 aanving.
Dit is ook expliciet opgemerkt in de parlementaire geschiedenis, zie Kamerstukken II vergaderjaar 2016/17, 34 552, nr. 3, pagina 46.
De bespreking van box 1-vermogen beperk ik tot ondernemingsvermogen en ter beschikking gesteld vermogen. Bij de overige vormen van inkomen of uitgaven die in box 1 vallen is veelal sprake van inkomen of uitgaven die niet in de context van een APV genoten respectievelijk gedaan kunnen worden.1 Bij geen van de eerstgenoemde soorten vermogen lijkt het me overigens waarschijnlijk dat deze worden ingebracht in een APV. Ik ga daarom beknopt op de fiscale consequenties in.
Ondernemingsvermogen
In geval van ondernemingsvermogen kunnen zich de volgende situaties voordoen:
De onderneming is in Nederland gevestigd. Het APV is derhalve belastingplichtig in Nederland.2 Er is sprake van een onderneming en tevens van onderworpenheid aan een belasting naar de winst,3 zodat de toerekeningsstop per definitie van toepassing is. De situatie waarin het ondernemingsvermogen wordt toegerekend aan de inbrenger doet zich derhalve niet voor. Als gevolg daarvan leidt de inbreng tot een staking van de onderneming.
Er is sprake van een buitenlandse onderneming. Voor zover de ondernemingswinst niet onderworpen is aan een belasting naar de winst, heeft de inbrenger een vaste inrichting in het desbetreffende buitenland. De winst hieruit is vrijgesteld op grond van een belastingverdrag, indien toepasselijk, en anders op grond van het Bvdb 2001. De inbrenger betaalt dus in principe geen belasting, zij het dat een progressienadeel kan optreden. Daarnaast kan toerekening van de vaste inrichting tot administratieve lasten leiden.
Voor zover de ondernemingswinst belast wordt, is de toerekeningsstop van toepassing en wordt de vaste inrichting niet langer toegerekend aan de inbrenger. Het niet langer toerekenen van het APV-vermogen leidt tot een staking van de onderneming. In beginsel kan dit tot belastingheffing kan leiden, maar als gevolg van de vrijstelling sorteert dit de facto vermoedelijk weinig fiscaal effect.
Het (weer) gaan toerekenen van het ondernemingsvermogen heeft evenmin grote fiscale gevolgen. Men zou dit kunnen zien als een start van de onderneming bij de inbrenger, waarbij de waarde in het economische verkeer van de activa en passiva als boekwaarden in aanmerking worden genomen,4 maar ook in dit geval zal voorkoming van dubbele belasting – los van het progressievoorbehoud – aan daadwerkelijke heffing in de weg staan.
Een situatie waarin sprake is van een onderneming, maar deze niet in Nederland gevestigd is en ook niet tot een vaste inrichting in enig buitenland leidt, is mijns inziens althans niet goed denkbaar, evenals een situatie waarin bij een buitenlandse onderneming een sfeerovergang plaatsvindt, aannemend dat er steeds een onderneming is. Dit laatste zou dan slechts het gevolg kunnen zijn van het eerst niet onderworpen zijn aan een winstbelasting en daarna wel of vice versa, hetgeen zich vermoedelijk zelden voor zal doen.
Resultaatsvermogen
Onder de huidige toerekeningsstop kan zich bij resultaatsvermogen naar mijn mening niet de situatie voordoen dat het APV-vermogen niet wordt toegerekend. Dit vereist immers mede dat sprake is van een onderneming en dat is bij resultaatsvermogen juist niet het geval.5 Als gevolg daarvan zijn sfeerovergangen in deze context niet aan de orde.