Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.5
9.5 Onmiddellijkheidsbeginsel in de hedendaagse Nederlandse literatuur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Garé 1994, p. 76.
Garé pleit daarom ook voor bredere erkenning van dit beginsel in het Nederlandse strafproces.
Corstens geeft overigens ook aan dat het onmiddellijkheidsbeginsel ook in meer materiële zin wordt verstaan, maar zo opgevat niet geldt in Nederland. In meer materiële zin houdt het volgens hem in ‘dat voor het bewijs alleen gebruik mag worden gemaakt van verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen die door de beslissende rechter zelf ter zitting zijn gehoord’ (Corstens/Bogers 2011, § 3.2).
Garé & Nijboer 1999, p. 878-879.
Auteurs zoeken kennelijk aansluiting bij Geppert die het formele onmiddellijkheidsbeginsel ook zo beperkt uitlegt. Zie § 4.3.2.
In het passageproces dat zag op de liquidaties in de Amsterdamse onderwereld was een extra rechter gedurende het hele strafproces aanwezig, voor het geval een van de rechters uit zou vallen (en de verdediging niet akkoord zou gaan met voortzetting met een ander panel).
Overigens lijkt het bijwonen van de gehele inhoudelijke behandeling in grote zaken waarin getuigen wel ter terechtzitting verschijnen, wel wenselijk te worden geacht. In de zaak Holleeder was er namelijk gedurende de gehele strafzaak een vierde rechter paraat, die alle zittingen heeft bijgewoond voor het geval dat een van de drie rechters zou uitvallen.
Stolwijk is een van de weinige auteurs die hier wel aandacht aan heeft besteed. ‘De rechter moet het hele onderzoek hebben bijgewoond om aan de beslissing te mogen meewerken’ (Garé 1994, p. 66).
De geringe mate van onmiddellijkheid roept de vraag op of het onmiddellijkheidsbeginsel nog wel gelding heeft en hoe dit beginsel in de Nederlandse literatuur wordt uitgelegd. In het vierde hoofdstuk is reeds aangegeven dat de Nederlandse invulling niet wezenlijk verschilt van de Duitse benadering. Dat is niet toevallig want veel Nederlandse auteurs hebben zich bij hun bespiegelingen op het onmiddellijkheidsbeginsel georiënteerd op de Duitse dogmatiek. Zo heeft Garé zich in haar proefschrift over het onmiddellijkheidsbeginsel uitvoerig georiënteerd op de opvattingen in de Duitse literatuur. Zij definieert het onmiddellijkheidsbeginsel als:
‘de eis, dat alle oorspronkelijke bewijsmiddelen ter terechtzitting ten overstaan van de rechter en (bij voorkeur) in het bijzijn van de verdachte worden gepresenteerd, opdat de rechter alleen dat bewijs aan zijn oordeel ten grondslag legt, waarvan hij zelfstandig de kwaliteit en de betrouwbaarheid heeft kunnen controleren a) door middel van zijn eigen waarneming van de oorspronkelijke bron (visueel en/of auditief); b) (zo mogelijk) door middel van de ondervraging van de oorspronkelijke bron en c) door middel van de confrontatie van de oorspronkelijke bewijsbron en zijn informatie met ander bewijs en/of (zo mogelijk) de verdediging’.1
Auteurs zoals Garé die een meer dogmatische invulling aan het onmiddellijkheidsbeginsel geven, moeten erkennen dat het in deze vorm geen beginsel meer is dat aan ons strafproces ten grondslag ligt.2 Het is immers niet zo dat getuigen in beginsel ter zitting worden gehoord en de rechter daar wordt geconfronteerd met de oorspronkelijke bewijsbron; het horen van getuigen maar ook het zelf bekijken van stukken van overtuiging, zoals camerabeelden, is nog steeds de uitzondering op de regel. Niettemin zullen er desgevraagd ook Nederlandse auteurs zijn die het onmiddellijkheidsbeginsel nog steeds zien als een aan het Nederlandse strafproces onderliggend principe. Zij hanteren het dan echter wel in een uitgeklede variant. Zo houdt het onmiddellijkheidsbeginsel volgens Corstens in ‘dat de zittingsrechter recht doet op basis van materiaal dat ter terechtzitting door hemzelf of ten overstaan van hem naar voren is gebracht’.3 In deze benadering wordt het onmiddellijkheidsbeginsel beperkt ingevuld, aangezien het niets zegt over de wijze waarop de rechter kennis moet nemen van het bewijsmateriaal en de vorm waarin bewijsmateriaal aan hem dient te worden gepresenteerd. Een soortgelijke beperkte uitleg van het onmiddellijkheidsbeginsel treffen we aan bij het latere werk van Nijboer en Garé, waar het onmiddellijkheidsbeginsel in formele zin wordt gepresenteerd als een stelregel of procesmaxime (‘zo moet het en niet anders behoudens enkele uitzonderingen’).4 Weliswaar geven zij geen omschrijving van het formele onmiddellijkheidsbeginsel, maar het karakter van een stelregel of procesmaxime heeft het alleen wanneer dit beginsel beperkt wordt uitgelegd, dus uitsluitend in de zin dat alle processtukken ter terechtzitting aan de orde moeten zijn gesteld (en niet ook dat de verklaringen ter terechtzitting door de originele informant moeten worden afgelegd).
In feite wordt het onmiddellijkheidsbeginsel in deze benaderingen passend gemaakt op de Nederlandse procespraktijk en vereenzelvigd met de tekst en jurisprudentiële uitleg van artikel 338 Sv. Als men onmiddellijkheid zo formeel uitlegt, dan hebben we inderdaad een onmiddellijke procedure. In de (vroege) Duitse dogmatiek daarentegen wordt – zoals in het vierde hoofdstuk duidelijk werd – traditioneel meer gewicht toegekend aan dit beginsel.5 Onder het onmiddellijkheidsbeginsel wordt daar ook begrepen dat de rechter de gehele inhoudelijke behandeling op het onderzoek ter terechtzitting moet hebben bijgewoond. Dit is vanzelfsprekend een belangrijk aspect als het gaat om de afstand tussen de rechter en originele bewijsbronnen. In Nederland wordt het met de eis dat de beslissende rechter deel moet nemen aan de gehele inhoudelijke behandeling in de praktijk – in meer standaardzaken6 – niet zo nauw genomen, in de zin dat als een zaak wordt aangehouden of heropend voor nader onderzoek (of in afwachting van een rapportage) het regelmatig voorkomt dat de zittingscombinatie (deels) een andere is.7 Weliswaar moet de verdediging hier formeel mee instemmen, dit levert in de praktijk echter zelden een beletsel op. Dat dit onder rechters en advocaten meestal niet tot onoverkomelijke bezwaren leidt, zal mede gelegen zijn in de nog altijd dominante gedachte dat alle benodigde informatie in het dossier is te vinden aangezien er met uitzondering van de verdachte in veel zaken geen live informatieverschaffers ter terechtzitting optreden. We zien dan ook dat dit aspect in de Nederlandse theorievorming over het onmiddellijkheidsbeginsel relatief weinig aandacht krijgt, terwijl dit in Duitsland wel een belangrijk onderdeel van het beginsel vormt.8