Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.1:9.1 Introductie
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.1
9.1 Introductie
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de centrale kenmerken van de Nederlandse stijl van procederen is het grote accent op de schriftelijke stukken en het gegeven dat getuigen relatief zelden ter terechtzitting verschijnen om te verklaren. Dit is onder meer het gevolg van het feit dat de Nederlandse rechter voor zijn beslissing vrijwel onbeperkt gebruik kan maken van verklaringen afgelegd in het vooronderzoek, zonder dat de oorspronkelijke informanten ter terechtzitting hoeven te worden gehoord. Hoewel het onmiddellijkheidsbeginsel wel wordt gezien als een aan het Nederlandse strafproces ten grondslag liggend beginsel, wordt het in de praktijk beperkt uitgelegd, althans terughoudend toegepast. Het Nederlandse strafproces wijkt daarin af van een aantal van de ons omringende landen, waar – in zware zaken – strikter aan het onmiddellijkheidsbeginsel wordt vastgehouden. Dit hoofdstuk staat geheel in het teken van de Nederlandse procestraditie met betrekking tot het horen van getuigen en het gebruik van buiten het onderzoek ter terechtzitting gedane mededelingen van getuigen voor het bewijs. In het bijzonder wordt gezocht naar verklaringen voor de weinig onmiddellijke stijl van procederen en wordt bekeken welke consequenties de dominantie van het dossier heeft voor de inrichting van het onderzoek ter terechtzitting en de wijze waarop de rechter zijn beslissing omtrent de feiten neemt.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Eerst wordt kort ingegaan op de begrippen horen, verhoren en ondervragen (§ 9.2) en de gebruikelijke wijze van procederen op de terechtzitting en het aldaar horen van getuigen (§ 9.3). Vervolgens zal deze gang van zaken worden gerelateerd aan het onmiddellijkheidsbeginsel (§ 9.4). Gekeken wordt hoe het onmiddellijkheidsbeginsel doorwerkt in het Nederlandse strafproces en welke betekenis het beginsel vandaag de dag nog toekomt. Daarna komt de invulling van het beginsel in de hedendaagse literatuur aan bod (§ 9.5) en worden enige achtergronden geboden om inzicht te krijgen in het functioneren van dit beginsel (§ 9.6). Vervolgens vindt een waardering plaats van de Nederlandse stijl van procederen op het onderzoek ter terechtzitting mede in relatie tot hetgeen vanuit de rechtspsychologie bekend is over de wijze van beslissen op basis van schriftelijke stukken (§ 9.7). Tot slot wordt aandacht besteed aan de potentiële invloed van de audiovisuele techniek op de wijze van procederen en het beslissen (§ 9.8).