Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4:9.4 Doorwerking van het onmiddellijkheidsbeginsel in het Nederlandse strafproces
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4
9.4 Doorwerking van het onmiddellijkheidsbeginsel in het Nederlandse strafproces
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In 1926 kon de verdachte zelf met behulp van een deurwaarder getuigen oproepen. Vanaf 1935 bij de inwerkingtreding van de Bezuinigingswet moesten getuigenverzoeken aan de officier van justitie worden gedaan, die vervolgens verplicht was om hier gehoor aan te geven en tot oproeping over te gaan. Deze verplichting is in 1984 afgeschaft (Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, MvT bij de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting, p. 4).
Zie ook § 4.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in het vierde hoofdstuk al aan de orde kwam, wordt het onmiddellijkheidsbeginsel op het Europese continent gezien als waarborg voor de accuratesse van rechterlijke beslissingen omtrent de kwaliteit van getuigenverklaringen. Het onmiddellijkheidsbeginsel ligt ook ten grondslag aan het Nederlandse wettelijke stelsel. Het is onder meer tot uitdrukking gebracht in de artikelen 338, 348 en 350 Sv. Zo bepaalt artikel 338 Sv dat de rechter ‘het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan slechts kan aannemen indien hij op het onderzoek ter terechtzitting [cursivering, MJD] door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen’. Uit de artikelen 348 en 350 Sv volgt dat de rechter ook bij de beraadslaging is gebonden aan hetgeen op het onderzoek ter terechtzitting (in wettige vorm) aan de orde is gekomen. Strikt genomen behelst dit nog geen onmiddellijkheid in de klassieke dogmatische zin. De eis dat al het bewijsmateriaal op de terechtzitting aan de orde moet komen, houdt immers geen verplichting in om zelf ook de originele informanten te horen (of de authentieke bewijsstukken te aanschouwen). De wet veronderstelt evenwel dat verklaringen van getuigen in beginsel ter terechtzitting worden afgelegd. Immers, uit artikel 342 lid 1 Sv volgt dat alleen verklaringen afgelegd ter terechtzitting de status van verklaring van een getuige als bedoeld in dat artikel toekomt. Voor het gebruik van verklaringen uit het vooronderzoek voor het bewijs is ook geen uitdrukkelijk wettelijke voorziening getroffen. Bij de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafvordering ging men ervan uit dat alle relevante getuigen ter terechtzitting zouden verschijnen en waren de mogelijkheden voor het oproepen en horen van getuigen van de zijde van de verdediging vrijwel onbeperkt. Het ondervragingsrecht is nadien echter sterk ingeperkt.1
De door schriftelijke stukken gedomineerde stijl van procederen roept de vraag op hoeveel betekenis toekomt aan het onmiddellijkheidsbeginsel in het Nederlandse strafproces en wat de mogelijke verklaringen zijn voor de wijze waarop dit beginsel functioneert. Om deze vragen te beantwoorden zal eerst kort de ontwikkeling worden geschetst omtrent het gebruik van verklaringen van horen zeggen voor het bewijs vanaf het De auditu-arrest tot op heden. Hoewel het onmiddellijkheidsbeginsel een breder bereik heeft dan het gebruik van getuigenverklaringen alleen,2 is de wijze waarop dat vorm heeft gekregen in het Nederlandse strafproces sterk beïnvloed door de opstelling van de Hoge Raad ten aanzien van het horen van getuigen en het gebruik van schriftelijke getuigenverklaringen voor het bewijs.
9.4.1 Opstelling van de Hoge Raad in het De auditu-arrest9.4.2 Praktijk na het De auditu-arrest9.4.3 Correcties op de de auditu-praktijk