Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.3
9.3 Gangbare wijze van procederen ter terechtzitting in vogelvlucht
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Melai 1981, p. 1.
Groenhuijsen & Knigge 2001, p. 37.
De inzet van rechters-plaatsvervangers (geschoolde juristen, niet zijnde rechters) uitgezonderd. Dat vormt evenwel uitzondering op de regel dat strafzaken uitsluitend worden afgedaan door beroepsrechters.
De meervoudige strafkamer bestaat in Nederland uit drie rechters.
In het Wetboek van Strafvordering wordt de term dossier niet als zodanig gehanteerd, maar wordt gesproken van de processtukken of de stukken van het geding (Melai-Groenhuijsen, art. 30, aant. 6).
De verdediging kan tevens zelf getuigen meebrengen naar het onderzoek ter terechtzitting. De rechter beslist dan of deze personen worden gehoord. Zie art. 287 lid 1 en 2 Sv.
Zie meer uitvoerig over de oproepingsregels § 10.2.3.
Zie § 4.5.2.2.
Zie voor een meer gedetailleerde beschrijving van de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor ter terechtzitting § 11.2.3.
Zie De Wolf 2010.
Het Nederlandse strafproces wordt gekenmerkt door zijn episodische en hiërarchische karakter, waarbij het accent in sterke mate ligt op het vooronderzoek. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt voortgebouwd op de resultaten van onderzoek die zijn vergaard in eerdere fasen van het strafproces. Melai spreekt in dit verband van uiteenlopende fasen die in een functionele relatie tot elkaar staan.1 De officier van justitie formuleert de beschuldiging in de vorm van de tenlastelegging en bepaalt daarmee de inzet en omvang van het strafgeding. De leiding en verantwoordelijkheid voor de zorgvuldigheid en volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting rust echter op de zittingsrechter.2 Net als veel andere continentale strafrechtsstelsels kent het Nederlandse stelsel een rechter die actief op zoek gaat naar de waarheid en daarbij niet gebonden is aan het materiaal dat door partijen wordt ingebracht. Hij toetst of het in eerdere fasen verrichte onderzoek op rechtmatige wijze is geschied en of de daaruit verkregen resultaten voldoende ‘betrouwbaar’ zijn. Tevens kan hij ambtshalve of op verzoek van partijen nog aanvullend onderzoek bevelen. Kenmerkend voor het Nederlandse strafproces is dat de bewijsbeslissing wordt genomen door een beroepsrechter en het daarbij geen vorm van lekeninbreng kent.3 Zaken worden afgedaan door rechters, die enkelvoudig en in zwaardere zaken in collegiaal verband optreden.4
Om de actieve rol op het onderzoek ter terechtzitting te kunnen waarmaken, neemt de rechter (of het panel van rechters) voorafgaand aan de terechtzitting kennis van het procesdossier. Bij het procesdossier moet worden gedacht aan ‘het verzamelde verslag van al hetgeen in de loop van het proces aan onderzoek is verricht en de resultaten daarvan’.5 In fysieke zin betreft het dossier een bundel van – hoofdzakelijk schriftelijke – processtukken die alle op eenzelfde zaak betrekking hebben en onder een uniek nummer bij het parket zijn geregistreerd.6 In een procesvoering zoals in Nederland waarin de procedure wordt gekenmerkt door een chronologische opeenvolging van onderzoekshandelingen, is het van belang dat kenbaar is welk onderzoek in de achtereenvolgende stadia is verricht, op welke wijze dit is geschied en wat dit concreet heeft opgeleverd. Het dossier vormt de schakel tussen de verschillende opeenvolgende fasen. Gedurende de behandeling ter terechtzitting ligt het accent sterk op de resultaten van onderzoek die in dat dossier zijn neergelegd. Een groot deel van het onderzoek ter terechtzitting wordt besteed aan het ondervragen van de verdachte en het hem voorhouden van de schriftelijke stukken. Dit voorhouden komt erop neer dat de rechter een korte samenvatting geeft van de relevante passages uit het dossier, waarbij de verdachte – en in een latere fase zijn raadsman – de gelegenheid krijgt om te reageren en zijn zienswijze omtrent de inhoud en waarde van die stukken naar voren te brengen. Naast het bieden van gelegenheid voor de verdachte om ten overstaan van de rechter zijn verhaal te doen, is het onderzoek ter terechtzitting – voor wat betreft de behandeling van de feiten – vooral gericht op het ophelderen van eventuele onduidelijkheden voortvloeiend uit in het dossier neergelegde verklaringen, rapporten en verslagen.
Het oproepen van getuigen ter terechtzitting is de taak van de officier van justitie. De verdediging kan zich voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting met een verzoek tot hem wenden7 en ook de rechter kan voorafgaand of tijdens het onderzoek ter terechtzitting een bevel geven tot het doen oproepen van een specifiek persoon.8 Getuigen die een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd, worden echter niet standaard ter terechtzitting opgeroepen. In veruit de meeste gevallen neemt de rechter kennis van hun verklaringen door het lezen van hun verklaringen opgetekend in een procesverbaal en opgenomen in het procesdossier. De rechter is vrij om in het vooronderzoek afgelegde verklaringen voor het bewijs te gebruiken, ook in die gevallen waarin de oorspronkelijke declarant deze niet ter terechtzitting heeft herhaald (mits de regels omtrent het uitoefenen van het ondervragingsrecht in acht zijn genomen).9 Er bestaat voor de rechter in beginsel geen ambtshalve verplichting om de oorspronkelijke informanten ter terechtzitting zelf te ondervragen. Het horen van getuigen ter terechtzitting geschiedt vooral in de meer complexe zaken en dan meestal uitsluitend in die gevallen waarin de verdediging daarom heeft verzocht. De rechter (of als het gaat om een panel van rechters: de voorzitter) heeft de regie over het getuigenverhoor. In Nederland kent men geen kruisverhoor. De rechter doet in beginsel de ondervraging zelf, waarna de partijen de gelegenheid krijgen om aanvullende vragen te stellen. Is een getuige echter in het vooronderzoek nog niet gehoord en opgeroepen op verzoek van of meegebracht door de verdediging, dan krijgt zij als eerste de gelegenheid tot het ondervragen van deze getuige.10
Wanneer het Nederlandse strafproces wordt geplaatst binnen de context van de procesmodellen zoals geschetst in het vierde hoofdstuk, dan maakt het duidelijk onderdeel uit van het continentale procesmodel. De Nederlandse stijl van procederen heeft evenwel nog sterk geprononceerde inquisitoire trekken wanneer dit wordt vergeleken met de gang van zaken in bijvoorbeeld Duitsland of Denemarken. De gangbare stijl van procederen lijkt in dat opzicht meer op die in Frankrijk en België, waar in eenvoudige zaken ook zwaar wordt geleund op de stukken uit het vooronderzoek. Deze landen kennen echter voor de zware zaken een assisenprocedure, waarbij getuigen in beginsel wel ten overstaan van de jury een verklaring afleggen.11 In de wijze van procederen en het aandeel dat getuigen daarin hebben, wijkt Nederland dus af van de ons omringende landen.