Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.7.4.3
3.7.4.3 Samenhangcriterium is een redelijkheids- en billijkheidstoets
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950322:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/274 en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/86. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 24 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1754, r.o. 3.5.5.
Zie Haas, De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2009, p. 12-14.
Vgl. Heyning-Plate, p. 35.
Zie ook § 2.4.
Fesevur 1988, p. 51.
Zie bijv. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/41. Zie ook § 3.7.2 en § 3.7.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205.
Zie § 3.7.4.2.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 197. Zie ook p. 199, alwaar de wetgever refereert aan een minder hechte samenhang tussen de verbintenissen over en weer bij het algemene opschortingsrecht dan bij de enac. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9513, r.o. 3.10 (“Voor de voor opschorting op grond van 6:52 BW vereiste samenhang is slechts een licht verband voldoende.”).
Zie ook Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel b, die meent dat ‘voldoende samenhang vrij spoedig [mag] worden aangenomen’ en Fesevur 1988, p. 51, waar hij opmerkt ‘dat aan de benodigde samenhang geen al te strenge eisen hoeven te worden gesteld’.
Zie voor dergelijke kritiek Krans & Wissink 2022/140 en Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/6.2. Zie voorts Janssen 2003, p. 25, die pleit voor afschaffing van het samenhangcriterium (Asser/Sieburgh 6-I 2020/270 noemt Janssen ‘overdreven kritisch’), en Hesselink 1999, p. 302-303, die aldaar pleit voor een proportionaliteitseis. Vgl. voorts Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/12 en 13. Vgl. tevens Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204, alwaar de wetgever onderkent dat het samenhangcriterium een bepaalde mate van rechtsonzekerheid met zich brengt. Zie § 2.3 en vgl. § 2.2. Zie ook § 1.2.
Zie hoofdstuk 4.
Het samenhangcriterium is een redelijkheids- en billijkheidstoets.1 Of de vereiste samenhang tussen de verbintenissen over en weer om opschorting te rechtvaardigen bestaat, wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid. De redelijkheid en billijkheid brengen deze samenhang tussen de verbintenissen over en weer tot stand. Voldoende samenhang tussen deze verbintenissen om deze opschorting te rechtvaardigen is niet een beoordelingsmaatstaf of te beoordelen criterium op zichzelf, maar veeleer een conclusie die volgt op de toepassing van het samenhangcriterium. De beoordeling van het samenhangcriterium begint dus niet bij de vraag of die samenhang bestaat, maar eindigt wel met het antwoord op die vraag.
Bij de beoordeling van het samenhangcriterium ligt het zwaartepunt niet op de vraag of nakoming mag worden verlangd. Gelet op het uitgangspunt dat opeisbare verbintenissen behoren te worden nagekomen en daarvan nakoming mag worden verlangd, zal een nakomingsvordering op zichzelf niet spoedig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen worden geacht.2 De nakomingsvordering hoeft ook nog niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid te zijn als de wederpartij nalaat nakoming aan te bieden van zijn verbintenis jegens zijn schuldenaar.3 Het gaat bij de beoordeling van het samenhangcriterium om de vraag of de wederpartij gelijktijdige nakoming van haar verbintenis jegens haar schuldenaar behoort aan te bieden. Het wel verlangen van nakoming maar het niet gelijktijdig aanbieden van nakoming van die verbintenis brengt immers mee dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt.4 Tussen die verbintenis van de wederpartij en de verbintenis van de schuldenaar waarvan de wederpartij nakoming verlangt, bestaat voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen. Deze beoordeling is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval. Als de wederpartij nakoming zou verlangen zonder harerzijds nakoming aan te bieden van haar verbintenis jegens haar schuldenaar die zij, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gelijktijdig met de verbintenis van de schuldenaar dient na te komen, rechtvaardigt dit handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de schuldenaar bij wijze van verweer de nakoming van zijn verbintenis jegens zijn wederpartij opschort, totdat zij haar verbintenis heeft voldaan. In dat geval is aan het samenhangcriterium voldaan.
De beoordeling van het samenhangcriterium begint mijns inziens dus niet bij de – zogenoemde – abstracte beoordeling van de vraag of voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer bestaat. Ik denk niet dat dit een op zichzelf te beoordelen vereiste is. Daarom voorzie ik ook niet dat partijen in een vicieuze cirkel kunnen belanden, zoals door Fesevur uiteengezet. Fesevur wijst erop dat ‘[m]en (…) bij benadering van het samenhangvraagstuk vanuit het beginsel van redelijkheid en billijkheid geconfronteerd [wordt] met een wisselwerking tussen dit beginsel en het samenhangsvereiste; het samenhangsvereiste is dan immers vervuld als gezegd kan worden dat de wederpartij in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid, maar men kan slechts dan zeggen dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt als er voldoende samenhang aanwezig is’.5 Deze cirkel dreigt alleen als ‘voldoende samenhang’ als zelfstandig vereiste wordt beschouwd en dat is niet waar ik van uitga. Ik denk dat het bestaan van voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen een conclusie is die volgt op de toepassing van het samenhangcriterium. Dit samenhangcriterium is zelf de redelijkheids- en billijkheidstoets.
De vaststelling dat de vereiste samenhang tussen de verbintenissen over en weer om opschorting te rechtvaardigen bestaat, volgt op een beoordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarom denk ik niet dat nader gedifferentieerd kan worden in een mate van samenhang op een schaal van geen tot nauwe samenhang of dat deze mate van samenhang van invloed is op de beoordeling van de vraag of het algemene opschortingsrecht in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid wordt uitgeoefend.6 In de woorden van artikel 6:52 lid 1 BW bestaat alleen voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen als de mate van samenhang in het samenhangcriterium. Als die drempel (‘voldoende’) in het concrete geval (‘deze’) wordt gehaald, bestaat het algemene opschortingsrecht. Wordt die drempel in dat geval niet gehaald, dan is niet aan het samenhangcriterium voldaan en ontbreekt het de schuldenaar aan een van de vereisten van het algemene opschortingsrecht.
Natuurlijk is denkbaar dat op basis van de feiten en omstandigheden van een concreet geval meer of minder discussie mogelijk is over de vraag of de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming te verlangen, zonder nakoming aan te bieden. Maar dat betekent mijns inziens niet dat ook ‘meer’ of ‘minder’ samenhang kan bestaan binnen het samenhangcriterium. De conclusie van de toepassing van het samenhangcriterium is binair: voldoende of onvoldoende. In het ene concrete geval kan voldoende en in het andere concrete geval kan onvoldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen. Daarbij zij opgemerkt dat de drempel van voldoende samenhang niet hoog lijkt te zijn. Het algemene opschortingsrecht vereist ‘een bepaalde samenhang’ tussen de verbintenissen over en weer.7 Dit vereiste is geconcretiseerd in het samenhangcriterium in het ontwerp-Meijers.8 Over de in dit samenhangcriterium opgenomen ‘zodanige samenhang’ is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat daarvoor ‘slechts een licht verband voldoende’ is.9 Ik denk dat daarmee wordt bedoeld dat in een geval waarin de wederpartij een verbintenis jegens haar schuldenaar heeft, aanstonds mag worden aangenomen dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder gelijktijdige nakoming aan te bieden.10
Toegegeven, dit beoordelingskader zou vaag genoemd kunnen worden en laat mogelijk onduidelijkheid bestaan over de vraag in welke gevallen aan het samenhangcriterium is voldaan.11 Tegelijk biedt deze open maatstaf ook de ruimte om op basis van een afweging van de feiten en omstandigheden van het geval tot een gemotiveerd oordeel te komen over de vraag of de schuldenaar een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW heeft. Voorts is inmiddels op basis van rechtspraak en literatuur wel meer te zeggen over omstandigheden waaronder wel of geen samenhang tussen de verbintenissen over en weer bestaat of kan bestaan.12