Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.3.1:12.3.1 Inleiding
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.3.1
12.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS348279:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De stichting zou nog via een gerechtelijke procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank (kortgedingprocedure) beëindiging van het uitstaan van de beschermingsprefs kunnen nastreven of een enquêteprocedure entameren en de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen verzoeken. De vraag daarbij is of beëindiging van het uitstaan als een voorlopige voorziening, respectievelijk onmiddellijke voorziening, kan worden beschouwd. Zie hierover paragraaf 12.7.4 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij intrekking is de stichting afhankelijk van besluitvorming van de algemene vergadering van de vennootschap. Die afhankelijkheid wordt meer prominent indien de beschermingsprefs anders dan na aankondiging van een openbaar bod zijn uitgegeven en de stichting dientengevolge geen overwegende zeggenschap zal willen hebben. Daar komt bij dat voor een besluit tot kapitaalvermindering een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen vereist is indien minder dan de helft van het geplaatste kapitaal in de vergadering is vertegenwoordigd. Vindt besluitvorming niet in de jaarlijkse algemene vergadering plaats, dan is niet uitgesloten dat de 50%-drempel niet wordt gehaald.Is 40% van het geplaatste kapitaal in de algemene vergadering vertegenwoordigd, dan moet het besluit dus met twee derde meerderheid worden genomen. Verschaft de stichting tegen de 30% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap, dan beschikt zij over de meerderheid van de stemmen (net geen 75%) in die algemene vergadering en ligt het in de verwachting dat het besluit tot intrekking zal worden aangenomen. Het omslagpunt ligt bij een aanwezigheidspercentage van 45%, omdat de stichting dan net geen 2/3 meerderheid in de vergadering heeft. Indien ten minste de helft van het geplaatste kapitaal aanwezig of vertegenwoordigd is, ligt het omslagpunt bij een aanwezigheidspercentage van 60%, omdat de stichting vanaf dat percentage niet ten minste de helft van de aanwezige stemmen in die vergadering heeft en dus afhankelijk is van de andere aandeelhouders.
In een situatie anders dan na aankondiging van een openbaar bod bestaat derhalve de theoretische kans dat de beschermingsprefs niet worden ingetrokken. Anders dan bij besluitvorming bij gewone meerderheid, geldt voor besluitvorming tot intrekking bovendien dat de stichting intrekking niet in eigen hand heeft bij een aanwezigheidspercentage binnen de bandbreedte van 45% tot 50%.
Wat zijn de gevolgen indien de beëindiging van het uitstaan van de beschermingsprefs niet op tijd geschiedt? Omdat de stichting minder dan 30% van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen, loopt zij in ieder geval niet het risico dat de biedplicht op haar van toepassing wordt. Wel blijft de lening uitstaan, hetgeen betekent dat de stichting rente moet blijven betalen. Uiteraard verdient het de voorkeur dat die rentebetaling, die uit het preferente dividend wordt betaald, niet onnodig lang blijft doorlopen.
Kan de stichting nog door aandeelhouders aangesproken worden vanwege het feit dat zij de beschermingsprefs onnodig lang blijft houden? Onder verwijzing naar de RNA-beschikking zou men kunnen stellen dat de uitgifte van de beschermingsprefs niet langer proportioneel en adequaat is; het vennootschappelijk belang zou niet langer worden aangetast. Het bestuur van de stichting kan zich verdedigen door te zeggen dat het bestuur het initiatief heeft genomen om de beschermingsprefs ongedaan te maken en ook vóór het voorstel tot intrekking heeft gestemd, maar dat het buiten zijn toedoen met de beschermingsprefs blijft opgescheept. Het bestuur zou zich kunnen onthouden van uitoefening van het stemrecht op de beschermingsprefs in toekomstige algemene vergaderingen. Het stichtingsbestuur kan moeilijk onzorgvuldig handelen worden verweten.1
Is het reëel om te veronderstellen dat de algemene vergadering het voorstel tot intrekking van de beschermingsprefs niet aanneemt? De stichting verschaft net geen 30% van het geplaatste kapitaal en zal vóór het voorstel tot intrekking stemmen. De andere aandeelhouders zullen de beschermingsprefs over het algemeen liever kwijt dan rijk zijn. Dat zal zeker het geval zijn indien de situatie van oorlogstijd voorbij is. De activistische aandeelhouder zal evenmin snel tegen intrekking stemmen. Van belang hierbij is wat de positie is van de grootaandeelhouders van de vennootschap. Het ligt voor de hand dat de stichting bij deze aandeelhouders peilt of zij voor intrekking zijn en deze probeert mee te krijgen. Dat geldt des te meer indien de verwachting is dat het aanwezigheidspercentage in de algemene vergadering zal liggen tussen de 45% en 50% of boven de 60%. Krijgt de stichting (enkele van) deze aandeelhouders mee, dan mag verwacht worden dat het voorstel wordt aangenomen.
Bestaat desalniettemin de gerede verwachting dat de uitgifte van de beschermingsprefs niet kan worden beëindigd door intrekking, dan zal naar alternatieven gezocht moeten worden. In de volgende paragrafen schets ik enkele alternatieven waarmee de uitgifte van de beschermingsprefs beëindigd kan worden.