Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.4:8.2.4 Vereenzelviging of onzelfstandigheid
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.4
8.2.4 Vereenzelviging of onzelfstandigheid
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607835:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld door Reugebrink en Van Hilten (1993), de Commissie ‘Samenwerkingsverbanden in de omzetbelasting’ van de Vereniging voor Belastingwetenschap (2000), en Bijl, Van Hilten en Van Vliet (2001).
B.G. van Zadelhoff in zijn noot bij HvJ EG 20 februari 1997, nr. C-260/95 (DFDS), BNB 2000/298.
J.W. Zwemmer, ‘De fiscale positie van de aandeelhouder’, WFR 1978, p. 1037.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leerstuk van ‘vereenzelviging’ of onzelfstandigheid komt voort uit de jurisprudentie. Hiermee wordt bedoeld dat de handelingen van een partij voor de heffing van omzetbelasting worden toegerekend aan een andere partij. De eerste partij wordt hierdoor vereenzelvigd met de tweede partij, en in feite als onzelfstandig beschouwd. In TC 12 april 1965, nr. 9722 0, BNB 1965/229, werd bijvoorbeeld een NV die als enige activiteit de verhuur van een kousenbreimachine aan een zustervennootschap had, onzelfstandig geacht. Meer recentelijk werd in Hof ’s-Hertogenbosch 3 november 2006, nr. 02/02029, www.rechtspraak.nl, een VOF vereenzelvigd met één van haar vennoten die de rechtsvorm van BV had. In deze zaak is A-G Van Hilten in haar conclusie van 5 november 2007, nr. 43 742, V-N 2008/12.21, echter tot de slotsom gekomen dat de VOF niet onzelfstandig was. Het wachten is nu op het arrest van de Hoge Raad in deze zaak.
In de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt de vereenzelviging van een rechtspersoon overigens steeds te worden verworpen. Uit onder meer HR 31 oktober 1990, nr. 26 018, BNB 1990/345, HR 27 november 1991, nr. 26 156, FED 1992/70 en HR 16 september 1992, nr. 27 162, BNB 1993/223, volgt dat een rechtspersoon steeds zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent, afgezien van de situatie dat zij tot een fiscale eenheid behoort. In de uitspraak die voorafging aan HvJ EG 3 maart 2005, nr. C-472/03 (Arthur Andersen), V-N 2005/15.9, besloot Hof ’s-Gravenhage in haar uitspraak van 23 oktober 2001, nr. 00/1106, V-N 2002/4.27, tot vereenzelviging van enkele rechtspersonen. Het hof achtte de samenwerking tussen de partijen zo omvangrijk, hecht en duurzaam dat er volgens hem sprake was van één verzekeringsbedrijf. De vereenzelvigingsgedachte werd echter in de cassatieprocedure weer verworpen door de Hoge Raad.
In het principe van vereenzelviging kan een vorm van economische verbondenheid worden herkend, omdat het situaties betreft waarin de activiteiten van een persoon worden toegerekend aan een andere persoon. In de literatuur wordt de juistheid van het leerstuk echter in twijfel getrokken.1 Er is echter ook opgemerkt dat de zelfstandigheid van rechtspersonen niet meer zo vanzelfsprekend is, nu in HvJ EG 20 februari 1997, nr. C-260/95 (DFDS), V-N 1997/1652, een rechtspersoon als vaste inrichting van een andere rechtspersoon werd beschouwd, omdat zij slechts als ‘assistent’ optrad.2
In paragraaf 8.2.2 heb ik verdedigd dat ‘moeien’ voldoende zou moeten zijn om een holding als ondernemer te beschouwen. In deze zin zou de vereenzelvigingsgedachte naar mijn mening goede diensten kunnen bewijzen. De holding zou op basis hiervan kunnen worden vereenzelvigd met de dochters.
Overigens vertoont de vereenzelvigingsgedachte raakvlakken met het onderscheid tussen transparantie en non-transparantie van rechtsvormen voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. In hoofdstuk 7 heb ik beschreven dat voor dit onderscheid door Zwemmer is gepleit voor een materieel-economische benadering.3 Op basis hiervan zou een kapitaalvennootschap net als een personenvennootschap transparant kunnen zijn voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting, indien zij in feite een verlengstuk is van de participanten. In de vereenzelviging voor de omzetbelasting kan deze verlengstukgedachte ook worden herkend.