Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.6.3
3.6.3 Opschortingsbevoegdheid ontbreekt bij niet-opeisbare verbintenis
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950284:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie anders Hof Arnhem-Leeuwarden 21 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11707, r.o. 3.11; Rb. Den Haag 23 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12399, r.o. 4.23 en Rb. Amsterdam 15 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4142, r.o. 3.26.
Zie ook Klomp 2019d, p. 185, die er weliswaar van uitgaat dat een schuldenaar wel een opschortingsbevoegdheid heeft, maar teven opmerkt dat een schuldenaar ‘geen behoefte’ heeft aan een opschortingsrecht en zich ‘kan’ beroepen op de Vorleistungspflicht. Hierbij merk ik op dat ik veronderstel dat de verbintenis voor het overige niet in geschil is. Uiteraard kan de schuldenaar zich in voorkomend geval beroepen op verweren die het bestaan of de omvang van de verbintenis betreffen, dan wel de rechtsvordering die daarmee verbonden is.
Klomp 2019d, p. 185 en Dammingh & Klomp 2014, p. 33-34.
Zie ook Klomp 2019d, p. 185 (“Waarschijnlijk komt dit doordat advocaten zich vaak niet realiseren dat de opschorting pas in beeld komt als er geen duidelijke Vorleistungspflicht is.”). Zie in dezelfde zin Dammingh & Klomp 2014, p. 34.
Zie § 2.7.1.
Zie ook HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584 (Tyco Fire Nederland/Delata), r.o. 3.4.2.
Zie § 2.7.1.
Vgl. ook Lock, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2023/11 onderdeel b.
De vraag naar een eventuele opschortingsbevoegdheid in het geval waarin de verbintenis van de schuldenaar niet opeisbaar is, is niet alleen zonder belang, ik denk ook dat het de schuldenaar aan een opschortingsrecht ontbreekt.1 Hij zal zich alleen kunnen verweren met een beroep op de niet-opeisbaarheid van zijn verbintenis door bijvoorbeeld de Vorleistungspflicht of tijdsbepaling.2 De reden dat de schuldenaar nog niet tot nakoming is gehouden, ontleent hij immers niet aan een door de wederpartij verlangde nakoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid, maar aan de niet-opeisbaarheid van zijn verbintenis. De vraag naar opeisbaarheid gaat vooraf aan de vraag of zijn wederpartij in overeenstemming met de goede trouw gebruik zou maken van haar recht om nakoming te vorderen. Dat recht heeft die wederpartij niet als de verbintenis niet opeisbaar is. Wat dit betreft zie ik geen verschil tussen de niet-opeisbare verbintenis wegens het nog niet bereiken van de bepaalde tijd (bijvoorbeeld het verstrijken van een betaaltermijn) en die wegens het nog niet vervullen van een voorwaarde (bijvoorbeeld het eerst presteren door de wederpartij). Ik denk dat een schuldenaar die wordt aangesproken tot betaling van een factuur met een nog niet verstreken betaaltermijn vooral geneigd zal zijn zich te beroepen op die betaaltermijn en niet op een opschortingsrecht. Daarom vind ik het opmerkelijk dat het in de praktijk zo zou zijn dat, in het geval dat de wederpartij eerst dient te presteren, advocaten eerder de voorkeur geven aan een beroep op een opschortingsbevoegdheid van hun cliënt, dan dat zij zich beroepen op de Vorleistungspflicht, zoals Dammingh en Klomp beschrijven.3 Misschien maakt onbekend onbemind.4
Voorts meen ik dat uit twee rechtsgevolgen van een bevoegde opschorting blijkt dat het de schuldenaar van een niet-opeisbare verbintenis ontbreekt aan een opschortingsbevoegdheid. De uitoefening van een opschortingsrecht leidt onder meer tot niet-opeisbaarheid van de verbintenis van de schuldenaar.5 Opschorting kan dit rechtsgevolg niet hebben als de verbintenis reeds niet-opeisbaar is door een tijdsbepaling of de Vorleistungspflicht. Zodra de opschortende tijdsbepaling of andere voorwaarde voor opeisbaarheid is vervuld, is de verbintenis opeisbaar. De schuldenaar kan zich dan in het eerstgenoemde geval eventueel aansluitend beroepen op een opschortingsrecht in verband met een opeisbare vordering op zijn wederpartij.6 In het laatstgenoemde geval, voor zover de voorwaarde voor opeisbaarheid een Vorleistungspflicht is, ligt dat niet voor de hand, omdat de opeisbare vordering van de schuldenaar dan juist eerst is nagekomen, zodat deze door nakoming is tenietgegaan.7 Behoudens andere vorderingen op zijn schuldeiser die voldoende samenhangen met zijn verbintenis om opschorting te rechtvaardigen, ontbreekt het de schuldenaar dan aan een vordering in verband waarmee hij de nakoming van zijn verbintenis zou kunnen opschorten. Een ander rechtsgevolg van een bevoegde opschorting kan schuldeisersverzuim van de wederpartij zijn, omdat zij door zelf niet na te komen een omstandigheid creëert die de schuldenaar ertoe beweegt om van zijn opschortingsbevoegdheid gebruik te maken en aldus een juridisch beletsel voor de door haar van de schuldenaar verlangde nakoming oproept.8 Van het opwerpen van een juridisch beletsel voor de nakoming van een niet-opeisbare verbintenis door nakoming te verlangen zonder zelf na te komen, kan evenwel geen sprake zijn, omdat de wederpartij geen nakoming kan vorderen van een niet-opeisbare verbintenis (vgl. art. 6:39 lid 1 BW). Ik denk ook niet dat de wederpartij de nakoming van een niet-opeisbare verbintenis kan verhinderen door zelf niet na te komen, omdat deze verbintenis nog niet behoeft te worden nagekomen, maar wel kan worden nagekomen (vgl. art. 6:39 lid 2 BW).9 Wanneer bijvoorbeeld een tijdstip voor nakoming is bepaald, behoeft de wederpartij niet zonder meer te begrijpen dat haar schuldenaar al voorafgaand aan dat opeisbaarheidsmoment zou willen nakomen, hetgeen zij dan zou verhinderen door zelf niet na te komen.10