Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.5.2.2
6.5.2.2 Aantasting van zwaarwegende derdenbelangen
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955482:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dinwoodie & Dreyfuss 2012, p. 77-80.
Zie echter Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML) rov. 4.52 (“Het beroep op een plicht tot gedogen van octrooi inbreuk wegens zwaarwegende maatschappelijke belangen (art. 6:168 BW) komt naar het oordeel van de rechtbank in feite neer op het vorderen van een dwanglicentie”).
Art. 31 sub eTRIPs; art. 58a lid 1 en 2 ROW. Zie echter ook art. 17a Aw: “Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het algemeen belang regelen worden gesteld nopens de uitoefening van het recht van de maker van een werk of zijn rechtverkrijgenden met betrekking tot de openbaarmaking van een werk door uitzending van een radio- of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat eenzelfde functie vervult”.
Osterrieth, GRUR 2018, afl. 10, p. 988. Voorstelbaar is evenwel dat de rechthebbende zijn recht niet kan inroepen tegen derden die afhankelijk zijn van het betrokken voortbrengsel; zie par. 6.5.1.1 sub (i).
Visser & Dack, NJB 2021/1219, afl. 16, p. 1300; Mulder, IER 2020/16, afl. 3, p. 136.
Overigens ligt op het moment van schrijven een voorstel klaar van het Europees Parlement en de Raad voor een verordening inzake dwanglicenties voor crisisbeheersing. Dit voorstel beoogt de verlening van een dwanglicentie op unitair niveau mogelijk te maken voor nationale octrooien, Europese bundeloctrooien en octrooien met unitair effect; zie COM(2023)224.
Zie t.a.v. het kort geding: D.W.F. Verkade, annotatie bij: HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462 (Boehringer Mannheim/Kirin Amgen), pt. 3.
In gelijke zin: Osterrieth, GRUR 2018, afl. 10, p. 988. Zie ook Grabinski, GRUR 2021, afl. 2, p. 200-203, die zich op het standpunt stelt dat de ruimte voor toetsing aan derdenbelangen afhangt van de ruimte die het betrokken nationale rechtsstelsel daarvoor biedt.
Anders: LG Düsseldorf 9 maart 2017, 4a O 137/15 (Umpositionierbare Herzklappe), rov. 211-212; LG Düsseldorf 7 juni 2022, 4c O 18/21 (Gilead/NuCana), rov. 145-153.
Zie Hof Den Haag 9 december 1981, BIE 1983/352; Rb. Den Haag (pres.) 28 februari 1989, BIE 1991/343 (Pijpbekleding); Rb. Den Haag (pres.) 1 mei 1991, ECLI:NL:RBSGR:1991:AM1639, BIE 1992/28, IER 1991/37 (Power-Line).
Grabinski, GRUR 2021, afl. 2, p. 202.
Evalve Inc & Ors Edwards Lifesciences Ltd [2020] EWHC 513 (Pat), rov. 90. In gelijke zin: Dijkman 2023, p. 212.
Zie Edwards Lifesciences LLC v. Boston Scientific Scimed, Inc. [2018] EWHC 1256 (Pat) [68-70]; Datascope Corp. v. Kontron, Inc., 611 F. Supp. 889, 895 (D. Mass. 1985) en F.2d 398, 401 (Fed. Cir. 1986); Hybritech Inc v Abbott Labs, 849 F.2d 1446 (Fed. Cir. 1988).
Zie Johnson & Johnson Vision Care Inc v. Ciba Vision Corp 712 F Supp 2d 1285, 1290 (M.D. Fla. 2010) (contactlenzen).
Zie Bently e.a. 2022, p. 1335 (“An injunction will not be refused simply because there is a public interest in widespread exploitation and dissemination of a particular product (such as a cure for HIV)”). Anders: Campbell v. Acuff-Rose Music, Inc., 510 U.S. 569, 578, n. 10 (1994) (“there may be a strong public interest in the publication of the secondary work”); New York Times Company Inc. v Tasini, 533 U.S. 483, 504 (2001).
Anders: Conceptus, Inc. v. Hologic, Inc., C 09-02280 WHA (N.D. Cal. 2012) (“Public health has benefitted, and will continue to benefit, from having a choice of products for transcervical hysteroscopic sterilization”); Bard Peripheral Vascular v. W.L. Gore & Assoc., Inc.,WL 920300 (D. Ariz. 2009) en 670 F.3d 1171, 1192 (Fed. Cir. 2012) (“it was in the public interest to allow competition in the medical device arena”); B. Braun Melsungen AG v. Terumo Medical Corp., 778 F. Supp. 2d 506, 526 (D. Del. 2011) (“However, in the overall circumstances presented here, particularly the public interest in access to competing alternatives to safe medical devices, […] the public interest favors the more limited injunction proposed by Terumo”).
Anders: Cariou v. Prince, 714 F.3d 694, 712 n. 5 (2d Cir. 2013) (“In the event that Prince and Gagosian are ultimately held liable for copyright infringement, and in light of all parties’ agreement at oral argument that the destruction of Prince’s artwork would be improper and against the public interest, a position with which we agree, the district court should revisit what injunctive relief, if any, is appropriate”); Campbell v. Acuff-Rose Music, Inc., 510 U.S. 569, 578, n. 10 (1994) (“Because the fair use enquiry often requires close questions of judgment as to the extent of permissible borrowing in cases involving parodies (or other critical works), courts may also wish to bear in mind that the goals of the copyright law, “to stimulate the creation and publication of edifying matter,” Leval 1134, are not always best served by automatically granting injunctive relief when parodists are found to have gone beyond the bounds of fair use”).
Chiron Corporation v Organon Teknika Ltd [1995] FSR 325, 332; Masterson, B.U. J. Sci. Tech. L. 2014, afl. 2, p. 302.
Carrier, U. Pa. L. Rev. 2002, afl. 3, p. 762-763.
Zie o.m. Presidio Components, Inc. v. Am. Technical Ceramics Corp. 723 F. Supp. 2d 1284, 1339 (S.D. Cal. 2010) (“enjoining the sale of 545L capacitors will hurt important government, military, space, and infrastructure projects, as well as many critical civilian industries”); City of Milwaukee v. Activated Sludge, 69 F.2d 577, 593 (7th Cir. 1934) (“the injunction (…) would close the sewage plant, leaving the entire community without any means for the disposal of raw sewage other than running it into Lake Michigan, thereby polluting its waters and endangering the health and lives of that and other adjoining communities”).
Zie Rb. Den Haag (pres.) 17 maart 1995, ECLI:NL:RBSGR:1995:AK3500, BIE 1999/443, IER 1995/149, m.nt. Ch. Gielen (Cook/Fujinon), rov. 15 (“Bovendien blijkt uit die verklaringen niet dat de opgesomde voordelen van de Fujinon-stent niet zouden kunnen worden bereikt zonder toepassing van het octrooi”). Zie ook Edwards Lifesciences LLC v Boston Scientific Scimed, Inc. [2018] EWHC 1256 (Pat) [36] (“although there is a significant body of clinical opinion which regards the Sapien 3 as giving the best clinical outcomes, there is little in the way of hard data to substantiate that opinion”); Smith & Nephew, Inc. v. Interlace Med., Inc., 955 F. Supp. 2d 69, 80 (D. Mass. 2013) (“anecdotal evidence about physician preference is not enough to prove an issue of patient safety”); Amgen, Inc. v. F. Hoffmann-La Roche Ltd., 581 F. Supp. 2d 160, 210 (D. Mass. 2008) (“there is no solid evidence that patients or the public coffers will suffer significant harm if the status quo is maintained”).
Rb. Den Haag (pres.) 3 mei 1995, ECLI:NL:RBSGR:1995:AM2628, BIE 1996/83, m.nt. P.J.M. Steinhauser (C.R. Bard Inc./TD Medical e.a.), rov. 25 (“De door gedaagden overgelegde verklaringen […] hebben de President er voorshands niet van overtuigd dat het gaat om méér dan een voorkeur van deze individuele cardiologen”). Anders: Datascope Corp. v. Kontron, Inc., 611 F. Supp. 889, 895 (D. Mass. 1985) en F.2d 398, 401 (Fed. Cir. 1986) (“Kontron has also made some showing that the public will be harmed by an injunction in that some physicians prefer defendant’s dual lumen IABs”).
In gelijke zin: Dijkman, IER 2023/22, afl. 4, p. 192; Dijkman 2023, p. 211-212. Anders: Edwards Lifesciences LLC v Boston Scientific Scimed, Inc. [2018] EWHC 1256 (Pat) [39]; Evalve v Edwards Lifesciences [2020] EWHC 514 (Pat) [87].
Verklaring van Doha over de TRIPs-overeenkomst en volksgezondheid, 14 november 2001, 2001 WT/MIN (01)/dec/1, par. 17. Zie ook Blok 2022, p. 13.
Rb. Den Haag (pres.) 17 maart 1995, ECLI:NL:RBSGR:1995:AK3500, BIE 1999/110, IER 1995/149, m.nt. Ch. Gielen (Cook/Fujinon), rov. 15 (“Hoewel in deze verklaringen een aantal voordelen van de Fujinon-stent worden opgesomd, blijkt daaruit niet dat voor die stent geen acceptabel alternatief aanwezig is”) Zie ook Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.50 (“Ook wordt eraan voorbij gegaan dat een mogelijk verbod (hoofdzakelijk) ziet op immersie-lithografiemachines, terwijl droge lithografiemachines en EUV- lithografiemachines, die ASML eveneens op de markt brengt (voor wat betreft de EUV machines sinds 2017), door een verbod niet geraakt worden”).
Zie Shiley, Inc. v. Bentley Labs., Inc., 601 F. Supp. 964, 971 (C.D. Cal. 1985); Cordis Corp. v. Boston Scientific Corp., 99 F. App’x 928 (Fed. Cir. 2004).
Anders: LG Düsseldorf 4 augustus 2020, 4c O 43/19 (Flexibles Atemrohr), rn. 46 (“Bereits rechtlich seien mit der Einräumung einer Zwangslizenz und der Benutzungsanordnung nach §13 PatG ausreichende Möglichkeiten vorhanden, öffentliche Interessen bei der Durchsetzung von Ansprüchen aus Patentrechten zu berücksichtigen. Außerdem, so behauptet die Klägerin, dass - was unstreitig ist - die Beklagte in ihrem Produktsortiment über andere Produkte als die angegriffenen Ausführungsformen verfüge, welche das Klagepatent nicht verletzen würden und daher stattdessen angeboten werden könnten”).
Zie o.m. Rb. Amsterdam (vzr.) 3 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2418 (Boston Scientific/Cook); Evalve v Edwards Lifesciences [2020] EWHC 514 (Pat); Schneider (Europe) AG v. SciMed Life Sys., Inc., 852 F. Supp. 813, 861-862 (D. Minn. 1994); Shiley, Inc. v. Bentley Labs., Inc., 601 F. Supp. 964, 971 (C.D. Cal. 1985).
HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [56] (“Where, on the other hand, the patentee is willing to grant consensual licences, and seeks an injunction to compel the defendant to accept his commercial terms, the effect of the injunction will not be to exclude the defendant from the relevant market even if the defendant has no non-infringing alternative”).
Zie ook Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777, rov. 4.52 (Nikon/ASML), rov. 4.51 (“Van belang in dit verband is dat ASML zelf expliciet aangeeft dat de soep niet zo heet zal worden gegeten als zij door Oxera wordt opgediend, […vertrouwelijk…], maar veeleer de beweerdelijk onredelijke licentievoorwaarden van Nikon (schoorvoetend) zal accepteren”).
Par. 6.3.3.3 sub (ii). Zie ook Dinwoodie & Dreyfuss 2012, p. 78 (“If the underlying rationale is to permit uses that are in the public interest despite the right holder’s opposition, then it is necessary to adopt an objective standard, tied to the context of the use the state is seeking to promote”).
Zie Hof Leeuwarden 12 november 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4338 (Schneider/Cordis), rov. 14.
Vgl. Dijkman 2023, p. 210-211.
EHRM 10 april 2012, nr. 30909/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0410JUD003090906 (Panaitescu v. Roemenië), rov. 27-30. Zie ook art. 35 Handvest (“Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.”).
Aldus ook Coventry v Lawrence [2014] UKSC 13 [124]: (“The fact that a defendant’s business may have to shut down if an injunction is granted should, it seems to me, obviously be a relevant fact, and it is hard to see why relevance should not extend to the fact that a number of the defendant’s employees would lose their livelihood, although in many cases that may well not be sufficient to justify the refusal of an injunction.”).
Zie Illinois Tool Works Inc v Autobars Co (Services) Limited [1974] FSR 67, 74 (runoff period van 3 maanden). Zie echter ook Virgin Atlantic v Premium Aircraft [2009] EWCA Civ 1513 [27] (“I am not entirely convinced that one would go quite that far these days.”).
Dijkman, IER 2022/23, afl. 4, p. 192.
Het laatste gevalstype omvat situaties waarin de gevolgen van het verbod onaanvaardbaar zijn in het licht van zwaarwegende belangen van derden. Ik richt mij in deze behandeling in het bijzonder op de belangen van patiënten om toegang te krijgen tot geneesmiddelen of medische apparatuur.
(i) Dwanglicenties en reflexwerking
Het meewegen van zwaarwegende belangen van derden roept de vraag op in hoeverre een bestaande dwanglicentieregeling in de weg kan staan aan een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Zo stelt art. 31 TRIPs strikte voorwaarden aan wetgeving die zonder voorafgaande toestemming van de octrooihouder, met inbegrip van gebruik door de overheid of door daartoe door de overheid gemachtigde derden, toestemming verleent voor het gebruik van bepaalde uitvindingen.1Art. 13 BC bepaalt in enigszins vergelijkbare zin dat voorbehouden en voorwaarden met betrekking tot het uitsluitend recht van de auteur van een muziekwerk en van de auteur van de woorden strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft en in geen geval afbreuk kunnen doen aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld. Art. 21 TRIPs bepaalt tot slot zelfs dat de gedwongen verlening van licenties van handelsmerken niet is toegestaan.
Het is niet geheel duidelijk of deze bepalingen ook betrekking hebben op gevallen waarin de rechter na een vastgestelde inbreuk een verbod afwijst.2 Ik sluit hier aan bij de opvatting dat de bepaling vooral noopt tot terughoudendheid.3 Een afwijzing of aanpassing van een verbod kan namelijk niet zonder meer worden gelijkgesteld aan een dwanglicentie.4 Het laatstgenoemde instrument verleent de begunstigde een persoonlijk gebruiksrecht dat tezamen met de onderneming of een gedeelte ervan kan worden overgedragen.5 Bovendien vallen voortbrengselen die onder een dwanglicentie in het verkeer zijn gebracht onder de uitputtingsregel, zodat de rechthebbende zich niet kan verzetten tegen verdere exploitatie. Het instrument van een dwanglicentie vormt dus een drastische ingreep op het exclusieve recht en wordt dan ook slechts spaarzaam toegepast. Daar staat tegenover dat een rechterlijke beslissing over de toewijzing van een verbod slechts werking heeft tussen de procespartijen.6
Overigens is het voor gerede twijfel vatbaar of de huidige dwanglicentieregelingen het publieke belang adequaat (kunnen) beschermen. Zo ontbreken – althans in Nederland – op overheidsniveau heldere richtsnoeren voor de afweging van belangen die ten grondslag ligt aan de verlening van een dwanglicentie.7 Daarnaast werpen het internationale recht, het Unierecht en het nationale recht verschillende barrières op voor het verkrijgen van een dwanglicentie.8 Daarnaast kan een uitgevaardigde dwanglicentie ondermijnd worden door markt- en/of data-exclusiviteitsrechten.9 Ten slotte kunnen zich situaties voordoen waarin de betrokken belangen dermate acuut zijn dat de verlening van een dwanglicentie niet kan worden afgewacht.10
Reflexwerking. In het licht van het voorgaande gaat het in mijn ogen te ver om te stellen dat bestaande dwanglicentieregelingen in de weg staan aan toepassing van de evenredigheidstoets.11 Het is eveneens onwenselijk om aan een dergelijk beroep de voorwaarde te stellen dat de inbreukmaker al een procedure heeft doorlopen om een dwanglicentie te verkrijgen.12 Dit neemt niet weg dat van bestaande dwanglicentieregelingen enige reflexwerking kan uitgaan. Zo kan de rechter zijn oordeel over het inbreukverbod afstemmen op de (waarschijnlijke) uitkomst van een procedure tot verkrijging van een dwanglicentie.13 Als er op het moment van de inbreukprocedure een dwanglicentie is aangevraagd, kan de rechter de procedure aanhouden in afwachting van een beslissing over de verlenende instantie.Als de inbreukmaker een dergelijk verzoek nog niet heeft ingediend, kan de rechter hem in de gelegenheid stellen om voorafgaand aan de mondelinge behandeling te verduidelijken dat hij voornemens is dat alsnog te doen.14 Het eventuele oordeel van de verleningsinstantie is echter niet onaantastbaar. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of een verbod gerechtvaardigd is in het licht van de gegeven omstandigheden en de betrokken belangen.
(ii) Inhoudelijke beoordeling
Hoogwaardige belangen. Het voorgaande impliceert dat voor bescherming van belangen van derden in een inbreukprocedure enkel ruimte bestaat als het gaat om hoogwaardige belangen. Zulke belangen zullen in de regel ook de verlening van een dwanglicentie rechtvaardigen.15 Er lijkt enige consensus over te bestaan dat een correctie gerechtvaardigd kan zijn als het gaat om gebruik van een levensreddend medicijn of hulpmiddel.16 Over het algemeen is het echter niet eenvoudig om te bepalen in welke situaties de belangen van derden een aanpassing of afwijzing van een verbod rechtvaardigen. Hoe moet de rechter bijvoorbeeld omgaan met chronische aandoeningen die niet levensbedreigend zijn?17 En wat te denken van het geval waarin een verbod betrekking heeft op een alledaags hulpmiddel waarvan een grote hoeveelheid patiënten afhankelijk is?18
Het is vrijwel onmogelijk om op deze vragen een algemeen antwoord te formuleren. Tegelijkertijd is het in het belang van alle betrokken partijen dat de uitkomst van het specifieke geschil enigszins voorspelbaar is. Ik beperk mij hier tot het formuleren van een aantal (op binnen- en buitenlandse rechtspraak gebaseerde) vuistregels die kunnen bijdragen aan een evenwichtig en voorspelbaar oordeel.
Persoonlijke belangen. Allereerst kan voor een geslaagd beroep op de evenredigheidstoets in mijn ogen alleen ruimte bestaan als het beroep strekt tot bescherming van persoonlijke belangen. Dit betekent dat het ingeroepen belang zich duidelijk moet onderscheiden van een algemene gebruiksbehoefte19 of de behoefte aan beschikbaarheid van (goedkope) alternatieven.20 Evenmin kan een verondersteld maatschappelijk belang bij het behoud van een artistieke bewerking of een parodie afdoen aan een verbod als de inbreuk al is vastgesteld.21 De bevrediging van zulke behoeften behoort bij uitstek tot het taakgebied van de wetgever en de instanties die beslissen over de verlening van een dwanglicentie.
De rechter die in deze gevallen ingrijpt, miskent niet alleen deze taakverdeling, maar stelt zich ook voor een onoverkomelijk dilemma: het algemeen belang is bijvoorbeeld niet alleen gebaat bij de beschikbaarheid van goedkope gezondheidszorg, maar ook bij de ontwikkeling van nieuwe en betere medicijnen en hulpmiddelen.22 Eventuele beperkingen van de mededinging (en daarmee de keuzevrijheid van de consument) gedurende de looptijd van het octrooirecht zijn bovendien volstrekt in overeenstemming met de laatstgenoemde doelstelling.23 Dit neemt niet weg dat grote groepen personen individueel geraakt kunnen worden, bijvoorbeeld omdat het verbod de toegang tot kritische infrastructuur24 of een publieke voorziening beperkt.25
Objectieve belangenaantasting. Als is vastgesteld dat sprake is van persoonlijke belangen, moet vervolgens objectief worden aangetoond dat deze belangen ook daadwerkelijk in het geding zijn.26 Dit kan het geval zijn omdat een medisch apparaat of geneesmiddel van de inbreukmaker belangrijke gezondheidsvoordelen biedt, of omdat het voor een specifieke groep patiënten de enige geschikte behandeloptie is. Het enkele feit dat sommige artsen een bepaald medicijn of hulpmiddel prefereren is in mijn ogen onvoldoende, tenzij deze voorkeur is gebaseerd op aanwijsbare gezondheidsvoordelen.27 Ik spreek hier van ‘voordelen’ om te verduidelijken dat niet alleen de behandeling van levensbedreigende aandoeningen een grond kan opleveren om een verbod te beperken.28
Bij de vaststelling van een objectieve belangenaantasting is ook relevant of zich in de tussentijd een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor de gestelde behoefte niet langer bestaat. Gelet op deze contextafhankelijkheid mag van de rechter worden verwacht dat hij in het dictum expliciteert voor welke duur en onder welke omstandigheden het verbod wordt beperkt. Deze oplossing dient enerzijds op bevredigende wijze het publieke belang en voorkomt anderzijds dat de rechthebbende onnodig in zijn belangen wordt aangetast. Bovendien beantwoordt zij adequaat aan de in de Doha-verklaring benadrukte verplichting om de TRIPs-overeenkomst te interpreteren ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid en de toegang tot medicijnen voor iedereen.29
Reële alternatieven. Ten slotte is van belang of er reële alternatieven bestaan voor het betreffende voortbrengsel.30 Dit is niet het geval als de rechthebbende (al dan niet tijdelijk) niet kan voorzien in de vraag naar het product.31 Denkbaar is ook dat er geen acute leveringsproblemen zijn, maar dat vanwege een pandemie een grote behoefte bestaat aan een ruime voorraad vaccins en ventilatoren.32 Verder kunnen zich gevallen voordoen waarin er weliswaar adequate alternatieven voorhanden zijn, maar een directe overstap in de gegeven omstandigheden niet mogelijk is. Het is bijvoorbeeld niet ongebruikelijk dat artsen en andere specialisten moeten worden omgeschoold om een nieuw medisch apparaat te kunnen gebruiken. De belangen van patiënten kunnen in een dergelijk geval vergen dat het verbod pas na verloop van een bepaalde periode ingaat, om een overstap naar het nieuwe apparaat mogelijk te maken.33
De belangen van derden zijn doorgaans niet in het geding als de rechthebbende een licentievoorstel heeft gedaan aan de inbreukmaker.34 De vraag is echter hoe de rechter moet beslissen als het licentievoorstel kennelijk onredelijk is. Men zou kunnen zeggen dat het beroep op de evenredigheidstoets in zulke gevallen niet is gericht op bescherming van patiëntenbelangen, maar op het beperken van de financiële gevolgen voor de inbreukmaker.35 Een dergelijke lezing staat echter op gespannen voet met art. 31 sub bTRIPs, waaruit volgt dat ruimte bestaat voor een beperking van het exclusieve recht als de betreffende gebruiker “pogingen heeft gedaan om van de houder van het recht toestemming te verkrijgen op redelijke commerciële voorwaarden en deze pogingen niet binnen een redelijke termijn zijn geslaagd”.36 Bovendien kan een buitensporig licentieaanbod tot gevolg hebben dat de inbreuk alsnog wordt beëindigd, hetgeen niet in het belang is van de betreffende patiënten.37
Een analyse van reële alternatieven vertelt ons ook iets over het gewicht van de belangen van werknemers.38 Net als patiënten zijn zij voor de bescherming van hun belangen afhankelijk van continuering van de inbreuk. Waar werknemers doorgaans echter ook elders werk kunnen vinden, is het voor patiënten niet altijd mogelijk om over te stappen op een andere behandeling. Dat patiënten aanspraak kunnen maken op bepaalde gezondheidsvoordelen, is in mijn ogen bovendien overtuigender dan dat werknemers recht zouden hebben op een specifiek emplooi.39 Daarbij is van belang dat art. 2 EVRM aan verdragsstaten een positieve verplichting oplegt om redelijke maatregelen te nemen ter bescherming van de gezondheid van patiënten.40 Het is echter niet uitgesloten dat de belangen van werknemers in bepaalde gevallen bescherming verdienen, al zal het verlies van arbeidsplaatsen over het algemeen onvoldoende zijn voor een dergelijk oordeel.41 Als de inbreukmaker bijvoorbeeld aannemelijk kan maken dat binnen een redelijke termijn een niet-inbreukmakend alternatief kan worden ontwikkeld, kan een respijttermijn uitkomst bieden.42 Uit deze redenering mag echter niet worden afgeleid dat grote ondernemingen eerder een beroep toekomt op de evenredigheidstoets.43