Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.4.3.2.4:II.4.3.2.4 Conclusies
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.4.3.2.4
II.4.3.2.4 Conclusies
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze bezwaren Bolt 2007, p. 2-13; Bolt 2005, p. 17 e.v. en p. 258 e.v
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geen tegengestelde uitgangspunten
Alle relativeringen overziend behoeven de bestuurlijke werkzaamheid en de rechterlijke werkzaamheid wat betreft het tijdstip waarnaar beoordeeld of getoetst moet worden, niet te worden gezien als absoluut aan elkaar tegengestelde werkzaamheden, hoewel de doctrinaire uitgangspunten dit lijken te suggereren. De doctrinaire tegenstelling moet vooral geplaatst worden tegen de achtergrond van de staatsrechtelijke verhouding tussen bestuur en rechter. In de praktijk blijkt de tegenstelling, hoewel zeker aanwezig, minder scherp te zijn. Niet alleen beslist het bestuur lang niet altijd ex nunc, ook de rechter toetst niet uitsluitend ex tunc. Ex nunc-toetsing door de rechter lijkt zeer wel mogelijk zonder de positie van de rechter ten opzichte van het bestuur in gevaar te brengen, mits de rechter het bestuur maar eerst de gelegenheid biedt om zich over de nieuwe feiten en omstandigheden uit te laten. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat een ex nunc-toetsing wenselijk is, omdat daaraan zoals Bolt aangeeft in het huidige stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming andersoortige bezwaren kunnen kleven.1#$ Voor dit onderzoek is echter slechts de vraag van belang in hoeverre het onderscheid naar de werkzaamheid van de bestuurlijke en rechterlijke organen wat betreft het moment van beoordeling bestaat en noopt tot het stellen van andere vereisten aan de procedures bij deze organen. Gelet op het voorgaande is het de vraag of het kenmerkende verschil tussen de werkzaamheid van het bestuur (in de voorprocedures) en de rechter gezocht moet worden in dit onderscheid tussen beide werkzaamheden, nu de grondslag daarvoor vooral gelegen is in de onderlinge rechtstatelijke verhouding tussen deze organen en deze ook op andere wijze gewaarborgd kan worden. Bovendien is in dat kader de aard van de aan het bestuur toekomende bevoegdheid nog een factor die de absolute tegenstelling tussen de werkzaamheid van beide organen afzwakt. Op de vraag in hoeverre de verschillen tussen de bestuurlijke heroverweging en de rechterlijke toetsing nopen tot het stellen van andere behoorlijkheidseisen wordt in de volgende paragraaf ingegaan. Hier kan echter alvast worden opgemerkt dat het onderscheid tussen de ex nunc- heroverweging door het bestuur en de ex tunc- toetsing door de bestuursrechter — evenals het geval was bij de omvang van de heroverweging door het bestuur en de omvang van de toetsing door de bestuursrechter zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 — minder scherp is dan wel wordt aangenomen en derhalve ook minder nopen tot het op voorhand afwijzen of uitsluiten van doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in de bestuurlijke voorprocedures.