Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.4.1.2
5.4.1.2 Toepassingsbereik van art. 5:25k bis Wft
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649953:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Bootsma & Hijink 2014, p. 87; Teerink & Koeman 2009, p. 225-226.
Grundmann-van de Krol & Van der Klooster 2016, p. 62.
Zie bijvoorbeeld art. 5:86 Wft en ook Kamerstukken II 2006/07, 31 086, nr. 3, p. 176: “Waar multilaterale platformen uit de Europese Unie worden bedoeld, wordt gesproken van een gereglementeerde markt of MTF.”
Zie bijvoorbeeld Bootsma & Hijink 2014, p. 87; Teerink & Koeman 2009, p. 225-226.
Zie Bootsma & Hijink 2014 alsmede Bootsma e.a. 2021.
Zie Bootsma e.a. 2021, p. 609-610.
Art. 5:25k bis Wft geldt slechts voor aandeel- en certificaathouders, pandhouders en vruchtgebruikers van uitgevende instellingen met zetel in Nederland waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en waarvan Nederland lidstaat van herkomst is (art. 5:25k bis Wft jo art. 5:25j lid 1 Wft).
Zowel een NV als een BV kan kwalificeren als een uitgevende instelling.1 Een effect is: a) een verhandelbaar aandeel of een ander daarmee gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs of recht niet zijnde een appartementsrecht; b) een verhandelbare obligatie of een ander verhandelbaar schuldinstrument; of c) elk ander door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar waardebewijs waarmee een in onderdeel a of b bedoeld effect door uitoefening van de daaraan verbonden rechten of door conversie kan worden verworven of dat in geld wordt afgewikkeld.2 Voor de toepasselijkheid van art. 5:25k bis Wft is het niet nodig dat alle door de NV of BV uitgegeven effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Het begrip ‘gereglementeerde markt’ zoals dat thans wordt uitgelegd in art. 1:1 Wft stamt uit de MiFID-richtlijnen. Waar die richtlijnen spreken over een gereglementeerde markt doelen zij per definitie op een markt gelegen binnen de EU/EER; dat wil zeggen binnen het grondgebied van de EU-lidstaten plus IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.
Ten aanzien van markten daarbuiten heeft de EU/EER-wetgever immers geen jurisdictie. Bij de implementatie van de MiFID I-richtlijn heeft de Nederlandse wetgever de definitie van gereglementeerde markt min of meer uit de richtlijn overgenomen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de territoriale begrenzing van het begrip. Het gevolg is dat twijfel ontstond of een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wft (zonder aanduiding waar de markt gelegen moet zijn) ook een gereglementeerde markt buiten de EU/EER kan zijn.3 Met onder meer Grundmann-van de Krol meen ik dat dat niet het geval is.4 De wetgever lijkt geenszins de bedoeling te hebben gehad het begrip op te rekken tot markten gelegen buiten de EU/EER. Dit blijkt ook uit het gegeven dat de wetgever in bepalingen waar wel ook wordt gedoeld op ‘gereglementeerde markten’ buiten de EU/EER de zinsnede toevoegde “of een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is”.5 Ik meen daarom dat wanneer in de Wft gesproken wordt over een gereglementeerde markt, zonder dat is aangegeven waar die markt gelegen dient te zijn – zoals in art. 5:25j lid 1 Wft het geval is –, bedoeld wordt een gereglementeerde markt gelegen binnen de EU/EER.6 Voorts worden multilaterale handelsfaciliteiten of daarmee vergelijkbare systemen niet in art. 5:25j lid 1 Wft genoemd. Aldus is art. 5:25k bis Wft slechts van toepassing wanneer effecten van de vennootschap verhandeld worden op een gereglementeerde markt die gelegen is binnen de EU/EER.
Verder is van belang dat art. 5:25k bis Wft uitsluitend geldt ten aanzien van NV’s en BV’s waarvan Nederland lidstaat van herkomst is in de zin van art. 2 lid 1 onderdeel a van de Transparantierichtlijn (art. 5:25j lid 1 jo art. 5:25a lid 1 sub c Wft). Een NV of BV heeft Nederland als lidstaat van herkomst als de NV of BV aandelen heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, of de NV of BV obligaties heeft uitgegeven met een nominale waarde van minder dan €1.000,- die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt.7
Art. 5:25k bis Wft is dus niet op alle beursvennootschappen van toepassing. Uitgezonderd is bijvoorbeeld de NV of BV waarvan de aandelen (uitsluitend) verhandeld worden op een markt die niet kwalificeert als een gereglementeerde markt (zoals de New York Stock Exchange). Dit type vennootschap wordt ook wel aangeduid als een ‘beursvennootschap in den vreemde’.8 Zie voor een schematische weergave van op welk ‘type’ vennootschappen art. 5:25k bis Wft van toepassing is par. 4.3.2.
Ter illustratie: van de 64 beursvennootschappen in den vreemde die Bootsma e.a. per 30 september 2020 in kaart brachten, vallen er in ieder geval 47 niet onder het toepassingsbereik van art. 5:25k bis Wft. Van 34 van de vennootschappen worden de aandelen verhandeld aan een ‘gereglementeerde markt’ of een multilaterale handelsfaciliteit buiten de EU/EER. Van 13 van de vennootschappen worden de aandelen verhandeld aan een multilaterale handelsfaciliteit binnen de EU/EER. Ook op deze categorie vennootschappen is art. 5:25k bis Wft als gezegd niet van toepassing nu een multilaterale handelsfaciliteit (ook wanneer gelegen binnen de EU/EER) geen gereglementeerde markt is.9
Vennootschappen ten aanzien waarvan art. 5:25k bis Wft niet geldt, kunnen een agenderingsverzoek niet weigeren om de reden dat de indiener het volledige economische belang niet in het verzoek heeft vermeld. Zie over het weigeren van agenderingsverzoeken op formele gronden verder par. 6.3.2.3.