Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.3.2
5.3.2 De feitelijke grondslag van de vordering bepaalt het perspectief
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655875:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook de analyse van Franx 2017, p. 223-225, waarbij ik aanteken dat zijn analyse specifiek is toegespitst op het leerstuk van prospectusaansprakelijkheid in het kader van een beursgang en/of emissie.
Zie in het kader van de aansprakelijkheid van de accountant voor een misleidende jaarrekening Giesen 1999, p. 77. Zie in het kader van de aansprakelijk voor een misleidende jaarrekening in het algemeen Van den Akker 2001, p. 178 (Van den Akker lijkt haar standpunt niet te beperken tot de aansprakelijkheid van de accountant). En zie in het kader van prospectusaansprakelijkheid Jansen, Schreuder & Verhagen 2003, p. 90-92.
Zie Maris & Boele 1994, p. 146; Timmerman 1996, p. 81; Blom 1996, p. 153-154; Hoff 1997, p. 363 en Den Boogert 2002, p. 190, allen in het kader van prospectusaansprakelijkheid.
Zie Mendel 1992, p. 254-256; Van Andel & Rutten 2008, p. 181 en p. 184-185. Zie Boertien 1962, p. 186 in het kader van de aansprakelijkheid van de accountant voor een misleidende jaarrekening. Hoewel hij dit niet expliciet uitspreekt, bespeur ik deze opvatting ook bij Croiset Van Uchelen 2007, p. 211.
De Jong 2010, p. 154-164 en p. 170-175.
Zie over deze kwestie reeds § 1.3.2.
Franx onderschrijft deze zienswijze in zijn dissertatie, zie Franx 2017, p. 223-225.
Zie voor een treffend voorbeeld van de wijze waarop de feitelijke grondslag het perspectief kan bepalen voor het causaal verband en de schade het in § 5.5.4 te bespreken arrest HR 30 mei 2008,NJ 2010/622, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 2008/209, m.nt. B.J. De Jong (De Boer e.a./TMF). Zie ook het commentaar bij dit arrest van H.M. Vletter-van Dort en mijzelf in Ondernemingsrecht 2008/104. Voor andere aansprekende voorbeelden (in een enigszins andere context) wijs ik op het arrest HR 26 juni 2009, NJ 2009/418, m.nt. P. van Schilfgaarde (X en Y/Eurocommerce Holding B.V.), r.o. 4.10 en op punt 3.14 van de conclusie van A-G W.L. Valk, ECLI:NL:PHR:2018:1459, bij HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:269, NJ 2020/8, m.nt. J.L. Smeehuijzen (X e.a./Y en Z).
Zie § 1.3.2.
Zie over (het belang van) dit onderscheid ook punt 3.10 van de conclusie van A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2010:BM9615, bij HR 8 oktober 2010, NJ 2010/545; JOR 2010/345, m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol (X/Forward Business Parks 2000 N.V.). Vgl. in dit verband Lindenbergh in zijn NJ-noot (sub 5) onder het arrest HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR2015:178, NJ 2015/377 (Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij/Stichting Loterijverlies.nl).
Het construeren van het causaal verband bij aansprakelijkheid voor misleidende informatie is in de literatuur een niet onomstreden kwestie. De steeds terugkerende vraag is of voor het aannemen van causaal verband de eis moet worden gesteld dat de eisende belegger bij de aankoop van het litigieuze aandeel (direct of indirect) op de misleidende informatie heeft vertrouwd.1 Een aantal auteurs houdt er een nogal streng causaliteitsbegrip op na en wil voor het rechtens vereiste causaal verband inderdaad als minimumeis hanteren dat de belegger direct (door eigen lezing) of indirect (door tussenkomst van een adviseur) op de misleidende informatie is afgegaan en zijn beleggingsbeslissing daardoor (direct of indirect) is beïnvloed.2 Een andere stroming is minder streng en acht voldoende dat de belegger is afgegaan op een door de misleidende informatie teweeggebrachte positieve marktstemming.3 De meest liberale stroming huldigt de opvatting dat voor het aannemen van causaal verband in het geheel niet is vereist dat de belegger op de misleidende informatie is afgegaan, en acht voldoende dat de belegger bij de aankoop van het litigieuze aandeel erop vertrouwde dat de beurskoers een resultante was van eerlijke marktwerking (en dito prijsvorming) en niet was ‘vervuild’ met misleidende informatie (een zeer indirecte manier dus van vertrouwen op de misleidende informatie).4 Een vurig pleitbezorger van de laatstgenoemde opvatting is De Jong.5 In zijn dissertatie verdedigt hij met kracht van argumenten de stelling dat wanneer de belegger slechts op de integriteit van de beurskoers heeft vertrouwd (en vervolgens in dit vertrouwen is beschaamd), dit reeds voldoende is voor het aannemen van causaal verband.
Ongeacht of men voor het causaal verband een stringente dan wel soepele benadering voorstaat, zou ik nogmaals willen benadrukken dat iedere discussie over causaliteit mijns inziens begint met het feitencomplex dat de belegger in het concrete geval aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag legt.6 In abstracto kan men namelijk niet spreken van ‘het causaal verband’. Het causaal verband krijgt pas vorm en inhoud wanneer het is gekoppeld aan een bepaalde feitelijke grondslag.7 Het is met andere woorden de feitelijke grondslag van de vordering die het perspectief bepaalt dat bij het causaal verband (en in het verlengde daarvan: de schade) tot uitgangspunt moet worden genomen.8, 9 Zoals uiteengezet in hoofdstuk 1, kunnen voor de beleggers die als gevolg van een door de vennootschap gecreëerde misleidende voorstelling van zaken (beweerdelijk) zijn benadeeld twee feitelijke grondslagen worden onderscheiden.10, 11 In de eerste plaats kunnen de eisende beleggers aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs. Deze beleggers vorderen primair schadevergoeding ter hoogte van het bedrag van de koersinflatie. In de tweede plaats kunnen de beleggers aan hun vordering ten grondslag leggen dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed, en zij bij juiste en volledig informatie het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht. Deze beleggers vorderen primair schadevergoeding voor het op het litigieuze aandeel geleden koersverlies, eventueel aangevuld (of verminderd) met de koerswinst die zou zijn behaald (of het verlies dat zou zijn geleden) in de hypothetische situatie zonder misleiding.