Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.3.5
5.3.5 Beide feitelijke grondslagen hebben hun eigen bewijslastproblemen
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uit het World Online-arrest volgt echter dat bij prospectusaansprakelijkheid (óók) de beleggers die stellen dat zij zonder de misleiding het litigieuze aandeel tegen een gunstigere prijs zouden hebben gekocht, tevens moeten aantonen dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed. Wel worden de beleggers in dit opzicht in hun bewijslast tegemoet gekomen, omdat ‘tot uitgangspunt’ wordt genomen dat causaal verband (in de zin van het csqn-verband) tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing aanwezig is. Zie HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1-4.11.2. Of de door de Hoge Raad in het World Online-arrest gekozen benadering ook geldt in andere misleidingsgevallen dan prospectusaansprakelijkheid, is vooralsnog onzeker. Ik verwijs naar mijn betoog in § 5.4.5.
Zie in dit verband bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 25 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6614 (Fratini e.a./Peters e.a.), r.o. 4.2, waar de rechtbank netjes vasthoudt aan de feitelijke grondslag waarmee de eisende beleggers hun vordering hadden onderbouwd. Zie in dit verband ook Rb. ’s-Gravenhage 20 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0741 (X/Staat), r.o. 3.2 resp. 4.8 (bekrachtigd door Hof ’s-Gravenhage 23 november 2010, JOR 2011/49, m.nt. P.J. van der Korst).
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1, derde en vierde volzin.
In de uitspraken Rb. Amsterdam 30 juli 2008, HA ZA 05-1645 (niet gepubliceerd), r.o. 5.37 en Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022, r.o. 2.54 (beide uitspraken betreffen de zaak Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.) wordt dit mijns inziens terecht onderkend. In gelijke zin Fox 2005a, p. 514 en p. 516, voetnoot 40; De Jong 2010, p. 258.
Vgl. Fox 2005a, p. 514; Fox 2005b, p. 1549.
Zie in dit verband ook de Amerikaanse uitspraak Ludlow v. BP, P.L. C, 800 F.3d 674, 690 (5th Cir. 2015).
Bijvoorbeeld omdat zijn portefeuille dan niet langer voldoende gediversificeerd is.
Vgl. in dit verband HR 8 februari 2013, NJ 2014/495, m.nt. J. Hijma onder NJ 2014/497; JOR 2013/108, m.nt. B.T.M. van der Wiel onder JOR 2013/106 (F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.), r.o. 3.7.1-3.7.2.
Zie in dit verband bijvoorbeeld het gemotiveerde betoog van de eisende beleggers in de zaak Rb. Noord-Nederland 13 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769 (X e.a./Bouwhuis en Wiegel), r.o. 8.2 en r. o. 8.4.
Voor een geval waarin nogal soepel met de in de hoofdtekst bedoelde bewijslast wordt omgegaan en waarin voor het rendement in de hypothetische situatie zonder normschending vrij gemakkelijk wordt aangeknoopt bij de wettelijke rente, wijs ik op het arrest Hof Den Haag 24 februari 2015, JOR 2015/147, m.nt. C.W.M. Lieverse (Van der Heiden/Van Meer-Van Santen e.a.), r.o. 16. Het oordeel van het hof is vermoedelijk te verklaren door de wijze waarop door de aansprakelijke partij verweer is gevoerd. Voor andere gevallen waarin nogal soepel met deze bewijslast wordt omgegaan en waarin vrij gemakkelijk wordt aangenomen dat de belegger zijn geld niet zou hebben belegd, maar op een spaarrekening respectievelijk depositierekening zou hebben laten staan als de beleggingsadviseur niet in zijn advisering zou zijn tekortgeschoten, wijs ik op de uitspraken Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2016-033 d.d. 11 oktober 2016, r.o. 4.5 en Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2012-15 d.d. 24 juli 2012, r.o. 3.9. Ook in de eerstgenoemde zaak had de aangesproken beleggingsadviseur op dit punt niet of nauwelijks verweer gevoerd.
Dat bij het te verschaffen inzicht in het beleggingsgedrag in de hypothetische situatie zonder normschending het nodige van een professionele belegger kan worden verwacht, zou men onder meer kunnen afleiden uit de (mijns inziens uitstekend gemotiveerde) uitspraak CBB 26 april 2016, ECLI:NL:CBB:2016:93, JOR 2016/160, m.nt. C.W.M. Lieverse (DNB/Stichting Pensioenfonds Vereenigde Glasfabrieken e.a.). Hierbij teken ik aan dat het in deze uitspraak ging om een geschil tussen een pensioenfonds en de (prudentiële) toezichthouder over (de omvang van) aan te houden goudreserves, en deze uitspraak geen misleidingszaak betrof.
De Jong maakt voor de door hem onderscheiden modaliteiten van transactiecausaliteit een vergelijkbare nuance, zie De Jong 2010, p. 258-259 en p. 290.
Zie in dit verband bijvoorbeeld de door de VEB en Stichting VEB-Actie Landis gevorderde verklaringen voor recht in de Landis-zaak, Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7495, JOR 2015/330, m.nt. U.B. Verboom (VEB en Stichting VEB-Actie Landis/Kuiken en Bus), r.o. 3.1, aanhef en onder d resp. onder e, en de door de VEB gevorderde verklaringen voor recht in de zaken Ziggo en BP, Rb. Midden-Nederland 27 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4094, JOR 2016/305, m.nt. G.T.J. Hoff (VEB/Ziggo Holding B.V.), r.o. 3.1, aanhef en onder 3 resp. 4 respectievelijk Rb. Amsterdam 28 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6593, JOR 2017/37, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens (VEB/BP P.L.C.), r.o. 3.1 aanhef en onder (vi) resp. (vii) (het laatstgenoemde vonnis is bekrachtigd door Hof Amsterdam 7 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4588, JOR 2018/14, m.nt. K. Rutten). Zie ook de door de beleggers gekozen feitelijke grondslag in een van de Fortis-zaken, Rb. Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3753, JOR 2012/243, m.nt. J.H.M. Willems (Kortekaas e.a./AGEAS N.V. e.a.), r.o. 3.2, aanhef en onder 7 resp. onder 8. En zie voorts de feitelijke grondslag van de vordering van belegger Van Gelderen (vordering G) in de zaak Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a., Rb. Amsterdam 30 juli 2008, HA ZA 05-1645 (niet gepubliceerd), r.o. 3.6.4.
Zie in dit verband ook reeds De Jong 2010, p. 259 en p. 290. Franx is op dit punt (mijns inziens ten onrechte) kritisch over De Jong, zie Franx 2017, p. 242, voetnoot 73.
De Jong oppert in dit verband nog de mogelijkheid om voor de twee door hem onderscheiden modaliteiten van transactiecausaliteit met een soort gewogen gemiddelde te werken, zie De Jong 2010, p. 295. Is de kans bijvoorbeeld x% dat de belegger ook in de hypothetische situatie zonder misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, en de kans (1-x)% dat de belegger in deze situatie het aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dan is bij deze oplossing de totale schade gelijk aan x% maal de feitelijk geleden schade zoals die is vastgesteld conform de eerste modaliteit, plus (1-x)% maal de feitelijk geleden schade zoals die is vastgesteld conform de tweede modaliteit.
Uit het voorgaande blijkt dat de materieelrechtelijke analyse van het causaal verband en de schade voor de beide genoemde feitelijke grondslagen verschillend is. Het is echter niet alleen de materieelrechtelijke analyse die voor beide grondslagen verschillend uitpakt. Ook de bewijsrechtelijke analyse is verschillend. Beide grondslagen kennen namelijk hun eigen bewijslastproblemen.
Leggen de beleggers aan hun vordering ten grondslag dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs, dan is het aan hen om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, dat zij daardoor het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht, en dat zij nog aandeelhouder waren toen de misleiding geheel of gedeeltelijk bekend werd en de koersinflatie geheel of gedeeltelijk uit de koers liep. In de praktijk zal deze bewijslast er meestal op neerkomen dat de beleggers aannemelijk moeten maken hoe het koersverloop van het litigieuze aandeel er in de hypothetische situatie zonder misleidende informatie uit zou hebben gezien.1
Leggen de beleggers daarentegen aan hun vordering ten grondslag dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, dan rusten op hen in de eerste plaats de stelplicht en bewijslast – althans, wanneer aan de hoofdregel van art. 150 Rv wordt vastgehouden – dat zij bij afwezigheid van de misleidende informatie een andere beleggingsbeslissing zouden hebben genomen. Zij moeten met andere woorden aantonen dat zij (direct of indirect) op de misleidende informatie zijn afgegaan, dat hun beleggingsbeslissing aldus (direct of indirect) door de misleidende informatie is beïnvloed en dat zij als gevolg daarvan in het litigieuze aandeel hebben geïnvesteerd.2 Bij juiste en volledige informatie zouden zij dat niet hebben gedaan. Deze bewijslast kan zonder meer als zwaar worden beschouwd. Ik citeer de Hoge Raad:3
‘Dat bewijs is (…) problematisch, omdat een belegger zich bij zijn beleggingsbeslissing in het algemeen door een veelheid van factoren zal laten leiden, terwijl bovendien vaak niet valt aan te tonen dat hij daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de misleidende mededeling, laat staan dat hij daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed. Die beïnvloeding kan ook indirect hebben plaatsgehad, doordat de belegger is afgegaan op adviezen of op heersende opinies in de markt, die op hun beurt door de misleidende mededeling in het leven zijn geroepen.’
Hierbij teken ik nog aan, dat het niet zonder meer vanzelfsprekend is dat de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding het litigieuze aandeel inderdaad niet zou hebben gekocht.4 Bij juiste en volledige informatie zou het aandeel immers tegen een gunstigere prijs zijn verhandeld en zou het in principe een ‘normaal’ aandeel zijn geweest met een marktconform risico-/rendementprofiel (daar mag men althans van uitgaan). De belegger zou in dat geval dus wellicht bereid zijn geweest het aandeel tegen deze lagere prijs te kopen.5 Tegelijkertijd is het ook geenszins uitgesloten dat bij afwezigheid van de misleiding de belegger het aandeel in het geheel niet (dus ook niet tegen de lagere prijs) zou hebben gekocht. Of de belegger al dan niet van aankoop zou hebben afgezien, hangt vooral af van de door hem aangehangen risico-/rendementvoorkeur.6 Wordt met betrekking tot een bepaald aandeel namelijk misleidende informatie verstrekt (een bepaald risico van de onderneming wordt te laag voorgesteld of een bepaalde winstmogelijkheid wordt te rooskleurig voorgesteld), dan verandert daarmee het risico-/rendementprofiel van het desbetreffende aandeel. Nu is goed denkbaar dat als gevolg van de misleidende informatie het gepresenteerde profiel van het litigieuze aandeel zodanig afwijkt van het werkelijke profiel, dat de belegger bij juiste en volledige informatie tot de conclusie zou zijn gekomen dat het aandeel niet bij past bij zijn risico-/rendementvoorkeur of niet past in de door hem reeds aangehouden beleggingsportefeuille.7
Behoudens het bewijs dat hun beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed, moeten de beleggers die aanvoeren dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, tevens aantonen dat het door hen gestelde koersverlies in csqn-verband staat met de misleiding (of anders gezegd: dat zij als gevolg van de misleiding schade hebben geleden).8 Dit betekent dat zij inzicht moeten geven in hun beleggingsgedrag in de hypothetische situatie zonder misleiding, en aannemelijk moeten maken dat zij in deze hypothetische situatie op een alternatief beleggingsobject een beter rendement zouden hebben behaald dan zij thans op het litigieuze aandeel hebben behaald9 (althans, wanneer de door hen gestelde koersschade door de gedaagde gemotiveerd wordt betwist).10 Hierbij kan van een professionele belegger mijns inziens doorgaans iets meer worden verwacht dan van een particuliere belegger.11 Voor de professionele belegger zal deze bewijslast in de regel dus wat zwaarder drukken.
De bewijsrechtelijke aspecten laat ik in het vervolg van dit hoofdstuk verder rusten. Deze zullen uitgebreid aan bod komen in hoofdstuk 9. Wel heb ik nog een andere opmerking van procesrechtelijke aard, die het onderscheid tussen de twee genoemde feitelijke grondslagen enigszins relativeert.12 Die relativering komt hierop neer, dat als de belegger een aansprakelijkheidsprocedure begint waarin hij vergoeding vordert van de als gevolg van de misleiding door hem geleden koersschade, hij niet meteen hoeft te kiezen voor één van beide grondslagen. Hij kan er bijvoorbeeld voor kiezen om zich primair op het standpunt te stellen dat hij bij afwezigheid van de misleiding het aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, en zich subsidiair op het standpunt te stellen dat hij bij afwezigheid van de misleiding het aandeel ook zou hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs. Ook kan de belegger er voor kiezen om in zijn inleidende dagvaarding in het geheel nog geen keuze te maken, en zich simpelweg op het standpunt te stellen dat hij bij afwezigheid van de misleiding het aandeel in het geheel niet, dan wel niet tegen dezelfde voorwaarden, zou hebben gekocht.13,14 Een en ander neemt echter niet weg, dat wanneer in rechte eenmaal is komen vast te staan dat de vennootschap (en/of bij de misleiding betrokken derden, zoals de bestuurders en/of commissarissen, de accountant(s) of – bij prospectusaansprakelijkheid in het kader van een beursgang en/of emissie – de begeleidende bank(en)) onrechtmatig heeft (hebben) gehandeld en de procedure het stadium bereikt waarin de causaliteits- en schadevraag beantwoord moet worden, er uiteindelijk toch een keuze gemaakt zal moeten worden op welke feitelijke grondslag de vordering wordt afgedaan.15 De feitelijk geleden schade die in csqn-verband staat met de misleiding hoeft voor beide grondslagen immers geenszins gelijk te zijn (zie ook de getallenvoorbeelden in de volgende paragraaf). Het onderscheid tussen beide grondslagen blijft dus hoe dan ook relevant.