Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.2.3.1
5.2.3.1 Wijziging of ontbinding van een overeenkomst
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416270:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Notitie TWK, p. 5.
HR 14 juni 1996, nr. 15 966, NJ 1996, 729, ro. 4.5 (concl. A-G De Vries Lentsch-Kostense; m.nt. Stein).
Vgl. de noot van Stein in NJ 1996, 729 waarin hij opmerkt dat met art. 6:258 BW nog weinig ervaring is opgedaan en nog lang niet duidelijk is wat voor omstandigheden tot wijziging of ontbinding aanleiding kunnen geven.
O.a. HR 10 juli 1989, nr. 13 528, NJ 1989, 786 (concl. A-G Mok).
Rb. Amsterdam 18 oktober 1995, H 94.0127, JOR 1996/12.
Van Dunné 2004, p. 762-766.
Vgl. Hijma e.a. 2004, p. 365.
Pres. Rb. Arnhem 19 juni 1987, nr. KG 273/87, KG 1987/278.
Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk een overeenkomst te laten wijzigen dan wel te laten ontbinden. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in art. 6:258 BW. Het gedeelte van de bepaling dat hier van belang is, luidt als volgt:
‘1. De rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. (...)
2. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. (...)’ (curs. MSB)
Met betrekking tot de onvoorziene omstandigheden gaat het erom van welke veronderstellingen partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Onvoorzien betekent derhalve ‘niet verdisconteerd’. Niet van belang is of de gewijzigde omstandigheden op het moment van het sluiten van de overeenkomst reeds voorzienbaar waren. In de Notitie TWK wordt opgemerkt dat een wetswijziging een onvoorziene omstandigheid vormt.1 Dit uitgangspunt is impliciet bevestigd door de Hoge Raad.2 Gelet op de stand van de jurisprudentie en uitlatingen in de literatuur is een nuancering van de mededeling in de Notitie TWK naar mijn mening evenwel op haar plaats.3 Voor zover ik heb kunnen nagaan is tot op heden onder toepassing van art. 6:258 BW namelijk geen overeenkomst ontbonden wegens veranderingen in fiscale regelgeving. Voorts laat de jurisprudentie inzake de toepassing van art. 6:258 BW zien dat de rechter een zekere terughoudendheid in acht neemt bij de toepassing van deze bepaling.4
Bij bepaalde overeenkomsten wordt ervan uitgegaan dat partijen bepaalde risico’s incalculeren. Zo oordeelde Rechtbank Amsterdam 18 oktober 1995 dat een afwijzing van een fiscale constructie niet als een onvoorziene omstandigheid kan worden beschouwd, omdat het hier een risico betreft dat voor rekening komt van degene die bij de constructie voordeel denkt te behalen.5 Voorts is in de literatuur het standpunt ingenomen dat met name voor overeenkomsten in de commerciële sfeer geldt dat wijzigingen in de omstandigheden, ook als zij een verstoring van de waardeverhouding tot gevolg hebben, in beginsel voor rekening komen van de partij die de overeenkomst treft.6 Dit uitgangspunt is in feite verwoord in art. 6:258 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling wordt een overeenkomst niet ontbonden als de gewijzigde omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvatting voor rekening komen van degene die zich op de bepaling beroept.
De vraag of ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst door de wederpartij niet mag worden verwacht, moet worden beoordeeld ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’. Op grond van art. 3:12 BW houdt dit in dat rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuiging en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken. Wanneer in een overgangssituatie aan het ‘redelijkheid en billijkheidsvereiste’ wordt voldaan, kan niet exact worden aangegeven en is afhankelijk van de omstandigheden. In het algemeen kan naar mijn mening wel de conclusie worden getrokken dat ingeval een overgangsmaatregel wordt getroffen die in overeenstemming is met door mij geformuleerde beginselen van behoorlijk overgangsbeleid er geen reden is de overeenkomst te ontbinden.
Ook bij de keuze tussen wijzigen of ontbinden moeten redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen.7 De rechter zal zoveel mogelijk moeten aansluiten bij hetgeen partijen met inachtneming van de onvoorziene omstandigheden van elkaar mogen verwachten. Met betrekking tot een medewerkersovereenkomst voor een fysiotherapiepraktijk, waarbij aanvankelijk ervan werd uitgegaan dat de betreffende medewerker als zelfstandige opereert maar op een later moment door de fiscus en de bedrijfsvereniging het standpunt werd ingenomen dat sprake was van een fictieve dienstbetrekking, oordeelde de president van Rechtbank Arnhem dat bij de oplossing van het probleem in redelijkheid zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bedoeling van partijen.8