Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.8.2.2:17.8.2.2 HR 16 september 2005, nr. 38 156; elementen waarop onbruikbaarheid ziet
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.8.2.2
17.8.2.2 HR 16 september 2005, nr. 38 156; elementen waarop onbruikbaarheid ziet
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497091:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A-G Wattel, conclusie bij HR 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer), pt. 10, wijst erop dat de Zwitserse wetgever elk punitief gebruik van enig resultaat van omkering van de bewijslast in de navorderingsprocedure in strijd met art. 6 EVRM acht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitspraak van 16 september 2005, nr. 38 156, verschaft verder inzicht in de opvatting van de belastingkamer dat aan de omkering geen nadelig gevolg voor de boete mag worden verbonden. De onbruikbaarheid van verklaringen, afgelegd ter voldoening van een vordering op grond van art. 47 AWR, ziet volgens de belastingkamer op:
de grondslag voor de boete ofwel de ontdoken belasting;
de mate van verwijtbaarheid (= grove schuld, opzet); en
de toepassing van een beleidsregel die leidt tot een hogere strafmaat (= de aanwezigheid van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude).1
De rechter die moet oordelen over de gegrondheid van de boete, zal de boeteprocedure van deze elementen moeten ‘opschonen’.2 Miskenning van deze ‘opschoningsregel’ was aan de orde in het geschil dat uitmondde in de uitspraak van 6 juni 2008, nr. 43 178. De belastingkamer van de HR besluit tot verwijzing en draagt de feitenrechter op om bij de bepaling van de boete niet alleen acht te slaan op de vraag of er een beroep is gedaan op art. 6 EVRM. Ook als de bewijslast is omgekeerd op andere gronden dan die waartegen het verweer is gericht, dient de feitenrechter de opgelegde verhoging te beoordelen in het licht van de omstandigheden van het geval.3