Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.5.2:4.5.2 De gemeentewet 1992
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.5.2
4.5.2 De gemeentewet 1992
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248466:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd werd in artikel 87 van de Gemeentewet 1992 de deelgemeente geïntroduceerd als een speciale soort commissie, zij het nog niet bij naam. Lid 1 van dit artikel luidde als volgt:
‘De leden van een commissie waaraan de behartiging van de belangen van een deel van de gemeente is opgedragen en waaraan met het oog daarop een zodanig samenstel van bevoegdheden van de raad is overgedragen, dat zij als een algemeen vertegenwoordigend orgaan moet worden aangemerkt, worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van dat deel van de gemeente die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad.’
Met dit artikel werd voor het eerst in de Gemeentewet een onderscheid aangebracht tussen “normale” en “zware” territoriale commissies. Verkiezingen voor de zware variant werden verplicht gesteld, want ‘naarmate een territoriale commissie een meer algemene en zware bestuurstaak heeft, neemt het belang van de burger om invloed uit te kunnen oefenen op de samenstelling van een dergelijke commissie toe. Het zou dan ook in strijd zijn met de strekking van artikel 4 [Grondwet] indien voor zo’n commissie rechtstreekse invloed van de burger door middel van algemeen kiesrecht in het algemeen zou worden uitgesloten’.1 Het bleef in eerste instantie wel aan de gemeenteraad om te bepalen of van een dergelijke commissie sprake was.2 Toch kleurde de regering het antwoord op de vraag wanneer er verkiezingen georganiseerd moesten worden deels in. Als belangrijkste criterium gold de omvang van het pakket raadsbevoegdheden dat werd overgedragen: ‘[a]lleen als een aanmerkelijke hoeveelheid bevoegdheden van de raad is overgedragen, kan gesproken worden van een algemeen vertegenwoordigend orgaan. Voor de eerder genoemde beoordeling is niet relevant of daarnaast ook bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders en/of van de burgemeester worden overgedragen’.3 De bevoegdheid van de raad die vooral van belang werd geacht, was de verordenende bevoegdheid. Als deze bevoegdheid werd overgedragen, was er meer aanleiding om te concluderen dat er sprake was van een algemeen vertegenwoordigend orgaan.4