Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.4.2
4.4.2 Ratio achter en verklaringen voor de hearsay-uitsluiting
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zoals in het Amerikaanse recht verwoord: ‘that it has improper prejudicial effects that outweigh its probative value’ (Anderson, Schum & Twining 2005, p. 87).
Zie ook de overweging van de Supreme Court: ‘There were two principal reasons for excluding hearsay evidence. The first was that it was potentially unreliable. It might even be fabricated by the witness giving evidence of what he alleged he had been told by another. Quite apart from this, the weight to be given to such evidence was less easy to appraise than that of evidence delivered by a witness face to face with the defendant and subject to testing by cross-examination’ (Horncastle, r.o. 21).
Roberts & Zuckerman 2004, p. 598.
De Supreme Court in Horncastle, r.o. 38. Ook in de Verenigde Staten is dit de gang van zaken.
K. Roberts 2006, p. 66.
Damaška 1992, p. 428 e.v.
Of dat in de praktijk ook het geval is, valt nog maar te bezien.
Damaška 1992, p. 430 e.v.
De ratio achter de hearsay-uitsluiting is als gezegd primair een epistemologische. De hearsay-regels vallen onder de zogenaamde ‘rules of admissibility’. De schadelijke effecten die uitgaan van dit type bewijs worden geacht groter te zijn dan de potentiële bewijzende kracht van het materiaal.1 De uitsluiting van hearsay-bewijs berust in de kern op een tweetal gronden: 1) het mogelijke gevaar van vertekening naarmate de bewering zich verder verwijdert van de bron en 2) het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht bij dit type verklaringen.2 Met name aan het gegeven dat hearsay-bewijs niet op tegensprekelijke wijze kan worden getoetst, wordt in de Anglo-Amerikaanse traditie veel belang gehecht. Zo stellen Roberts en Zuckerman dat de crux van hearsayuitsluiting ligt in de afwezigheid van de oorspronkelijke declarant op de terechtzitting waardoor diens verklaring niet – met behulp van een kruisverhoor – kan worden getoetst.3 Het kruisverhoor wordt gezien als de beste manier om verklaringen te toetsen. Informatie die niet aan een dergelijke toets kan worden onderworpen, bijvoorbeeld omdat de zegspersoon is overleden of weigert ter terechtzitting te verschijnen, wordt uitgesloten ongeacht de potentiële bewijswaarde daarvan. De rechter treedt hierbij in juryprocessen op als ‘gatekeeper’. Hij bepaalt of er sprake is van hearsay en of dit valt onder een van de uitzonderingen. Hij moet zich daarbij vergewissen dat het bewijs niet kan worden geproduceerd door het oproepen van de getuige van wie de verklaring afkomstig is. Indien de rechter van oordeel is dat het een toelaatbare vorm van hearsay betreft, dan informeert hij de jury over de potentiële gevaren van dit materiaal.4
Historisch bezien is het juryproces een bepalende factor geweest in de ontwikkeling van de hearsay-doctrine en de keuze daarbinnen voor een categorische uitsluiting van hearsay-bewijs. De vrees was dat lekenrechters bij het vaststellen van de feiten minder goed dan getrainde juristen in staat zouden zijn hearsay-verklaringen op waarde te schatten en teveel gewicht zouden toekennen aan verklaringen van personen die niet op de terechtzitting waren gehoord en wiens verklaringen niet door middel van een kruisverhoor op hun betrouwbaarheid konden worden getoetst.5 Damaška noemt nog een aantal andere factoren. Hij wijst op het feit dat er in het Anglo-Amerikaanse model geen hoger beroep mogelijk is en daarmee onjuist gewicht door het beslissend orgaan aan bewijs van horen zeggen niet kan worden gecorrigeerd.6 Daarnaast benadrukt hij dat er binnen het Anglo-Amerikaanse model anders tegen bewijsmateriaal wordt aangekeken doordat het verrichten van onderzoek en het aanleveren van bewijsmateriaal niet de exclusieve taak van de overheid is. In een stelsel waarin elke partij zijn eigen bewijsmateriaal onderzoekt, selecteert en gebruikt op een manier dat het beste past in zijn processtrategie, is het risico op vertekening groter. Bewijsmateriaal dat niet krachtig kan worden getoetst door de tegenpartij, wordt om die reden ongeschikt geacht. Bovendien bestaat in een systeem waarin de selectie van bewijsmateriaal primair aan de partijen is overgelaten, het risico dat gekozen wordt voor derivatief bewijsmateriaal, terwijl origineel en epistemologisch superieur bewijsmateriaal binnen handbereik is. Van officiële gezagsdragers mag volgens Damaška worden verwacht dat zij niet handelen uit zelfbelang en reeds uit zichzelf kiezen voor het ‘beste bewijs’.7 De dreiging van eenzijdige vertekening zou in het continentale model minder groot zijn en daarmee neemt de noodzaak af om getuigen aan een agressieve toets te onderwerpen.8
Samenvattend kan worden gesteld dat de hearsay-doctrine vooral dient als stimulans voor partijen om optimale bronnen van informatie te gebruiken. Echter, meer dan in het continentale procestraditiemodel wordt het accent gelegd op het niet-tegensprekelijke karakter van dit type bewijs, waarmee de hearsay-uitsluiting een belangrijke functie krijgt in het waarborgen of in stand houden van het mondelinge en tegensprekelijke karakter van de procesvoering.