Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.1
3.1 Inleiding: drie voorbeeldcasus
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284675:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
In het verleden is om verschillende redenen bepleit de csqn-toets te verlaten en in het geheel te vervangen door een enkele normatieve toets. Veelal is daarvoor redengevend dat de jurist geen natuurkundig of feitelijk verband zoekt, maar steeds normatief beoordeelt of de veroorzaakte schade voor vergoeding in aanmerking moet komen. Bovendien zou de jurist met een feitelijke toets soms volledig in de problemen raken, met name waar het verweten gedrag een nalaten betreft. Zie hierover uitvoerig Van Eikema Hommes 1975, p. 93, 105, Van Schellen 1985a, p.15 en 33 en 116, en Witjens 2011, §5.2 en 5.3. Het valt buiten het bestek van dit boek die discussie uitvoerig weer te geven en te bespreken. Dit boek neemt de csqn-toets, en de daarachter schuilgaande logica, als geldend recht tot uitgangspunt. Het komt mij ook niet zinvol voor de csqn-toets geheel aan de kant te zetten op basis van de gedachte dat de jurist uiteindelijk een normatief oordeel zal moeten geven en er niet steeds sprake is van een daadwerkelijk feitelijk, natuurkundig, verband. De achter het vereiste van csqn-verband schuilgaande logica biedt immers, uitzonderingen daargelaten, in het algemeen wel een hanteerbaar denkkader om vast te stellen welke schade wel en niet te maken heeft met het verweten gedrag.
Bijv. HR 9 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3170, NJ 2004/308, m.nt. W.D.H. Asser (D./Achmea), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken (Dexia/De Treek) en HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893, NJ 2015/32, m.nt. T. Hartlief (Doerga/Ymere); Zie voor de dogmatiek bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2017 nr. 50 en Boonekamp 2018, nr. 2.2.1-2.2.2.
Het vereiste van csqn-verband wordt onder omstandigheden losgelaten, bijvoorbeeld in gevallen van proportionele aansprakelijkheid of – ogenschijnlijk – bij sommige gevallen waarin verschillende schadeveroorzakende gebeurtenissen elkaar opvolgen of tegelijkertijd plaatsvinden. Op die laatste gevallen gaat dit hoofdstuk nog uitvoerig in.
Zie Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 50 en bijv. HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2723, NJ 1998/831 (Nacap/Shellfish) en HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007, NJ 2000/428, m.nt. H.J. Snijders (Fietspadongeval).
De casus is ontleend aan HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9994, NJ 2012/405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Van den Hoek/Pots).
Om de zaken niet lastiger te maken dan ze al zijn: aangenomen dat de aanwezigheid van bocht B2 geen invloed heeft op de wijze waarop deelnemer X bocht B1 nam.
Zie daarover bijv. Van der Kooij 2019 die wel die bredere ambitie heeft en de leerstukken van causaliteit en relativiteit voor toepassing op die bredere context onderzoekt.
48. Volgens art. 6:162 lid 1 BW bestaat alleen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen voor schade die door dat handelen is veroorzaakt. Het artikel spreekt van ‘dientengevolge’. Daarmee brengt de bepaling het vereiste van condicio sine qua non (‘csqn-vereiste’) tot uitdrukking. In de dogmatiek en rechtspraak wordt over het algemeen1 het csqn-vereiste gezien als een voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW noodzakelijk vereiste.2 Dat vereiste houdt als uitgangspunt3 in dat de onrechtmatige daad ook daadwerkelijk, feitelijk, de schade tot gevolg moet hebben gehad. Dit stelt men volgens vaste rechtspraak vast door een vergelijking te maken tussen de huidige (vermogensrechtelijke) situatie van de gelaedeerde (de werkelijke situatie) en de (vermogensrechtelijke) situatie waarin de gelaedeerde zou hebben verkeerd als de onrechtmatige daad achterwege was gebleven (de hypothetische situatie). Is de situatie hetzelfde, dan ontbreekt het csqn-verband. Is die situatie (vermogensrechtelijk) verschillend, dan kwalificeert dat vermogensrechtelijke verschil als door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade.4
49. Dit is op het eerste gezicht een overzichtelijk en eenvoudig toepasbaar criterium. In werkelijkheid leidt het criterium soms toch tot vragen en onzekerheden. Dit laat zich aan de hand van drie casusposities illustreren:
Tijdens een oefening op een schietbaan schiet schutter X per ongeluk schutter Y dood met een pistool. Y is per ongeluk in de kogelbaan gaan staan. X heeft de regel overtreden dat op het terrein alleen met door het bestuur toegelaten geweren mag worden geschoten. De erven van Y spreken schutter X aan op grond van onrechtmatige daad wegens overtreden van die regel. X voert aan dat het causaal verband ontbreekt: als hij met een toegestaan geweer zou hebben geschoten, zou hij schutter Y namelijk nog steeds hebben geraakt. Er is daarom volgens hem geen csqn-verband. Volgens de erven is er wel csqn-verband: als X niet met het pistool zou hebben geschoten, zou Y niet zijn overleden.
Het volgende voorbeeld raakt aan een vergelijkbaar, maar toch weer net ander, probleem:
Tijdens een kartwedstrijd vliegt deelnemer X uit een bocht B1 in het parcours en raakt daarbij ernstig gewond. Hij spreekt daarop de wedstrijdleiding aan. Volgens hem had de wedstrijd geen doorgang mogen vinden, omdat het parcours afgekeurd had moeten worden wegens een met de veiligheidseisen uit het wedstrijdreglement strijdige bocht B2. De wedstrijdleiding verweert zich met het betoog dat het csqn-verband ontbreekt, omdat deelnemer X niet uit de onreglementaire bocht B2 is gevlogen, maar uit de op zichzelf wel reglementaire bocht B1. Ook bij een reglementaire wedstrijd zou deelnemer X dus uit de bocht zijn gevlogen en dezelfde schade hebben geleden.5
In het volgende voorbeeld is de causaliteitsproblematiek weer iets anders:
Een politieagent schiet tijdens een aanhouding op de verdachte. Hij treft de verdachte in de rug, waardoor de verdachte levenslang verlamd raakt en inkomsten derft. Hij moet bovendien ziekenhuiskosten maken. De politieagent mocht de verdachte in de gegeven omstandigheden niet in de rug schieten en heeft daarom jegens de verdachte onrechtmatig gehandeld. De politieagent voert aan dat het csqn-verband ontbreekt, omdat hij de verdachte wel in de knie had mogen schieten en dat uiteraard in plaats van het schot in de rug zou hebben gedaan. De verdachte zou dan even hoge ziekenhuiskosten hebben moeten maken en zou in ieder geval ook deels arbeidsongeschikt zijn geraakt. Met dat deel van de schade bestaat daarom volgens de politieagent geen causaal verband.
50. In de eerste casus, van de schietbaan, kan men de causaliteitstoets ogenschijnlijk op verschillende wijze vormgeven. Ten eerste kan men enkel het schieten met het pistool door schutter X wegdenken. Dat is geen vreemde gedachte, want dat schieten met het pistool leidt tot de schade. Er is dan csqn-verband: de dood van schutter Y is veroorzaakt door dat verboden schieten door schutter X met het pistool. Men kan de toets echter ook iets breder trekken door in het kader van de vaststelling van de hypothetische situatie ook toe te staan er een hypothetische omstandigheid bij te denken: het schieten met een wel toegestaan geweer dat evengoed tot de dood van schutter Y geleid zou hebben. Het csqn-verband ontbreekt dan.
51. In het tweede voorbeeld, van de kartwedstrijd, zijn er nog meer benaderingswijzen van de causaliteitstoets mogelijk. Ten eerste is het precieze verwijt van invloed op de csqn-vraag, dus de oorzakenkant van de vergelijking. Wat is de onrechtmatige daad in dit geval precies? Er zijn twee onrechtmatige gedragingen denkbaar: (i) het door laten gaan van de wedstrijd als geheel of (ii) het opnemen van de onreglementair gevaarlijke bocht B2. Voor beide is iets te zeggen. Bij de eerstgenoemde normschending is er csqn-verband, omdat deelnemer X bij het wegdenken van de onrechtmatige daad ook niet uit bocht B1 was gevlogen. Dat die reglementaire bocht B1 niet de reden was dat de wedstrijd niet mocht doorgaan, doet in die visie voor wat betreft de causaliteitsvraag niet ter zake. Bij de tweede normschending is er geen csqn-verband, omdat bij het wegdenken van de onreglementaire bocht B2 het ongeluk nog steeds zou zijn gebeurd. De ‘schadeveroorzakende’ bocht B1 had in die vergelijking immers nog steeds bestaan.6 Ten slotte kan men zich tegen beide verwijten verdedigen met het betoog dat bij een normconforme bocht B2 het ongeluk ook zou zijn gebeurd en daarom het causaal verband ontbreekt. Men denk er dus een omstandigheid bij aan de oorzakenkant van de vergelijking.
52. Ook in het derde voorbeeld, van de in de rug geschoten verdachte, bepleit de politieagent zo’n bijdenkexercitie aan de oorzakenkant: de politieagent voert in essentie aan dat niet alleen zijn schieten moet worden weggedacht, maar er ook mag en moet worden bijgedacht hoe de agent, het schieten in de rug weggedacht, in plaats van het onrechtmatige handelen zou hebben gehandeld. Als dat handelen (deels) dezelfde schade zou hebben veroorzaakt, ontbreekt volgens hem het causaal verband. De causaliteitstoets is in die visie steeds zowel een wegdenk- als een bijdenktoets.
53. In dit hoofdstuk onderzoek ik hoe de csqn-toets in het algemeen in het civiele recht uitgevoerd wordt en welke type oplossingen binnen het leerstuk van de csqn-verband voor de zich daarbij voordoende problemen zijn gevonden. Ik heb niet de ambitie ieder csqn-probleem uit het civiele recht te bespreken en de bijbehorende oplossing te beschrijven of te vinden.7 Dat is voor dit onderzoek ook niet noodzakelijk. Het gaat mij erom de algemene civielrechtelijke toets en de zich daarbij voordoende problematiek te bespreken voor zover relevant voor het besluitenaansprakelijkheidsrecht. De oplossingen die het algemene civiele recht biedt, kunnen tot uitgangspunt dienen voor de toepassing van de csqn-toets in het besluitenaansprakelijkheidsrecht.