Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.3.1
14.3.1 Volle toetsing van de centrale stellingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940217:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 13.3.
Zie paragraaf 9.3.1 en paragraaf 13.3.1.
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Gelderland 21 juli 2016, V-N 2016/54.4, die erop wijst dat de rechtbank deze opdracht mogelijk heeft miskend.
HR 23 februari 2000, BNB 2000/238, r.o. 3.6. Uit een arrest uit 2015 kan worden opgemaakt dat de Hoge Raad met de vraag of de boete ‘terecht is opgelegd’ doelt op (het bewijs van) de centrale stellingen. Daar tegenover stelt de Hoge Raad namelijk ‘de hoogte’ van de boete (de strafmaat), zie HR 26 juni 2015, V-N 2015/32.10, BNB 2015/178, r.o. 3.2.
Zie r.o. 5.3 van de Hofuitspraak die vooraf ging aan HR 17 september 2021, V-N 2021/39.19.3.
Zie paragraaf 10.3.2. Zie voor enkele voorbeelden: de zaak die leidde tot HR 17 mei 2013, V-N 2013/26.1.1 (waarin het Hof de verklaring van de boeteling (dat hij geen aanmaning had ontvangen) niet geloofwaardig achtte, mede gelet op de rijke historie van te late betalingen, verzonden aanmaningen en dwangbevelen, zowel voor als na het beoordelingsmoment), Hof Den Haag 7 januari 2014, V-N 2014/30.5 (waarin het Hof een verklaring van de boeteling (inhoudende dat hij verkeerd was voorgelicht door zijn hypotheekadviseur en de bank) juist wél geloofwaardig achtte), alsmede Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4 (waarin het Hof – anders dan de Rechtbank – veel waarde hechtte aan de verklaringen die de boeteling ter zitting had afgelegd, en aan ‘de persoon’ van de boeteling) en Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2016, V-N 2016/24.1.1 (waarin de verklaring van de boeteling dat hij in de veronderstelling was dat zijn gegevens voldoende bewijs zouden vormen, geloofwaardig werd geacht (het beroep in cassatie van de belastingplichtige werd onder verwijzing naar art. 80a Wet RO niet-ontvankelijk verklaard, HR 16 december 2016, NTFR 2016/3061)).
Zie voor een voorbeeld de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.2 en r.o. 2.6.5-2.6.6, HR 27 april 2012, V-N 2012/23.11, BNB 2012/193.
Zie hieromtrent nader paragraaf 7.3.6.2.2 en paragraaf 7.3.9.3.1.
Zie voor een voorbeeld HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, r.o. 2.2 (de belastingplichtige was eerder vrijgesproken van oplichting van de Belastingdienst, terwijl het OM ten aanzien van een ander jaar niet-ontvankelijk was verklaard). Hetzelfde geldt wanneer er geen uitspraak van de strafrechter is gekomen omdat de strafrechtelijke vervolging is geseponeerd, zie EHRM 23 oktober 2014 (Melo Tadeu), nr. 27785/10, NJB 2015/354, par. 57, HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181, r.o. 2.4.3 en de zaak die heeft geleid tot HR 20 november 2020, V-N 2021/2.37.7 (art. 80a Wet RO). Daarbij is wel van belang op welke gronden van (verdere) vervolging is afgezien: een technisch sepot wegens onvoldoende bewijs raakt bij uitstek de bewijswaardering. Het gaat erom of er een oordeel is geveld over de (on)schuld van de verdachte. Uiteraard is daarvan geen sprake als de strafrechtelijke vervolging is beëindigd door het overlijden van de verdachte, zie HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.26, r.o. 2.4.3. In Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2018, V-N 2019/11.18 paste het Hof de Melo Tadeu-leer toe, onder meer omdat de belastingplichtige niet was vervolgd voor de teelt en de verkoop van hennep (maar alleen voor het bezit van hennepplanten). Naar mijn mening is dat een brug te ver. Gelet op het vervolgingsmonopolie van het OM en het opportuniteitsbeginsel betekent de enkele beslissing om niet te vervolgen (zonder nadere toelichting of onderbouwing) immers nog niet dat er ook een oordeel is geveld over de (on)schuld van de verdachte (aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening). Wel juist is naar mijn mening Hof 's-Hertogenbosch 2 april 2020, V-N 2020/27.35.45, m.n. r.o. 4.5, waarin ten aanzien van een bepaalde periode alleen een politieonderzoek had plaatsgevonden. Omdat er over die periode echter geen enkele vervolgingshandeling was verricht, speelde de onschuldpresumptie feitelijk niet.
Zie onder meer HR 1 juli 1985, NJ 1986, 161 en HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 349. Zie voorts paragraaf 4.2.9.
Daarvan is in ieder geval sprake als de belastingrechter een relevante strafrechtelijke vrijspraak in het geheel niet in zijn beoordeling betrekt, zie EHRM 23 oktober 2014 (Melo Tadeu), nr. 27785/10, NJB 2015/354, par. 64.
EHRM 23 oktober 2014 (Melo Tadeu), nr. 27785/10, NJB 2015/354, par. 58, HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181, r.o. 2.4.2 e.v., HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, r.o. 2.2.
Dat geldt overigens ook in de spiegelbeeldsituatie waarin de strafrechter afwijkt van het oordeel van de belastingrechter, zie HR 1 december 2015 (strafkamer), FutD 2015-2973.
HR 31 januari 2020, V-N 2020/8.15, BNB 2020/60, HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181, r.o. 2.4.1-2.4.4. Uit laatstgenoemde rechtsoverwegingen volgt naar mijn mening dat het bij deze toets gaat om het reeds gevelde oordeel over de strafrechtelijk verweten feitelijke gedragingen of over de schuldgradatie (dus over de bestanddelen van de delictsomschrijving).
Zie over het strafrechtelijke bewijsrecht nader hoofdstuk 4. Zie over de status van de ambtsedige verklaring in dit kader ook paragraaf 14.3.2 hierna.
Rb Zeeland-West-Brabant 17 augustus 2017, V-N 2017/51.18.27, r.o. 2.15. Doorwerking van de schatting naar het bewijs van het bestaan van enige boetegrondslag is overigens hoe dan ook niet toegestaan, zie paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Positieve heffingscomponenten: omkering van de bewijslast’.
Uiteraard is dat in de sfeer van de heffing wél mogelijk, aangezien daar als regel de lichte gradatie van ‘aannemelijk maken’ geldt.
Zie paragraaf 13.2 en paragraaf 13.3.
HR 31 januari 2020, V-N 2020/8.15, BNB 2020/60. Anders: CRvB 4 september 2018, NJB 2018/1712.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, V-N 2020/40.8, r.o. 4.32.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 29 september 2017, V-N 2017/62.22.11, r.o. 5.1.
Het is daarbij niet van belang of die latere, andere zaak zelf een criminal charge vormt.
Zie voor de basis van deze doorwerking EHRM 12 juli 2013 (Allen), nr. 25424/09, NJB 2013/2410, m.n. r.o. 103 e.v.. Ook de mogelijkheid dat de uitkomst van een latere procedure afwijkt van een eerdere (straf)procedure die niet tot een veroordeling heeft geleid, komt hierin aan de orde, zie r.o. 124 e.v..
Bemelmans noemt dit de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie (gesteld tegenover de bewijsdimensie). Zie voor een nadere beschouwing Bemelmans 2018, hoofdstuk VI.
Dat hierbij sprake is van een oefening in juridisch koorddansen, moge blijken uit Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, V-N 2017/60.3. De strafrechter had de belastingplichtige alleen strafrechtelijk veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennepplanten op zijn zolderkamer (en niet voor het eveneens tenlastegelegde telen en verwerken). De inspecteur ging voor wat betreft de belastingheffing evenwel uit van aanzienlijke inkomsten uit een (eerdere) oogst, hetgeen hij baseerde op een niet door de strafrechter gevolgde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof liet de onschuldpresumptie prevaleren en de belastingplichtige kreeg het voordeel van de twijfel (zie met name r.o. 4.12 en verder). De Staatssecretaris van Financiën heeft zijn cassatieberoep (met toelichting) ingetrokken. Zie in lijn hiermee ook Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2018, V-N 2019/11.18 (waarin alleen het aanwezig hebben van hennepplanten ten laste was gelegd en de ontnemingsvordering die zag op het vermeende voordeel uit het telen was afgewezen), alsmede (de rechtbankuitspraak die leidde tot) Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, V-N 2019/22.19 (waarin de belastingplichtige weliswaar was veroordeeld voor het telen van hennepplanten, maar de daarmee samenhangende ontnemingsvordering door de strafrechter was afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat eiser voordeel had genoten uit dat telen). In de Aantekening bij Rb Gelderland 14 juni 2019, V-N 2019/50.13, geeft de Redactie Vakstudie-Nieuws aan er geen moeite mee te hebben om de bescherming van de onschuldpresumptie door te trekken naar ontnemingszaken, waarbij de Redactie (terecht) opmerkt dat in dergelijke zaken geen zwaardere eisen aan het bewijs worden gesteld dan in het algemeen in fiscalibus worden gehanteerd (zo geldt in ontnemingszaken de bewijsgradatie ‘aannemelijk maken’).
Een dergelijk afwijkend oordeel zal evenwel niet snel voorkomen. In HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181 (zie r.o. 2.4.4) was in het geheel niet duidelijk om welke strafbare feiten het zou zijn gegaan (maar alleen dát er was geseponeerd), zodat de belastingplichtige niet kon bewijzen dat de onschuldpresumptie was geschonden. In het in HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223 berechte geval waren geen fiscale bestuurlijke boetes opgelegd, zodat alleen van belang was of met de gebezigde bewoordingen – die op zichzelf inderdaad een schending van de onschuldpresumptie in zich droegen – ook de grondslag voor de aanslag werd geraakt (hetgeen niet het geval was; zie de Conclusie van A-G Niessen van 7 juli 2016, V-N 2016/45.11, par. 3.30 en par. 3.39-3.43).
Zie daaromtrent nader paragraaf 11.4.2.2. Vgl. voorts Hof Den Haag 8 april 2015, FutD 2015-1149. Zie voorts paragraaf 7.3.9.3.1 en paragraaf 7.3.6.2.2.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.3. De strafrechter is immers bij uitstek geroepen om daaromtrent te oordelen.
HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181, r.o. 2.4.1 en r.o. 2.4.4, HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.5.
Zie in dit kader Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, waarin een boete was opgelegd aan de medepleger. Hoewel de aan de belastingplichtige zelf opgelegde boete reeds onherroepelijk was geworden, gaf het Hof een zelfstandig oordeel over de vraag of die belastingplichtige als pleger kon worden aangemerkt (r.o. 4.21 e.v.). Uit de strafrechtelijke leer omtrent het te leveren bewijs van het medeplegen lijkt overigens te volgen dat die vraag in de zaak tegen de medepleger geen beantwoording behoeft (zie paragraaf 6.5.2.2). Voorts is illustratief Hof Amsterdam 22 mei 2018, V-N 2018/56.19, r.o. 6.1. Blijkens het verwijzingsarrest HR 30 juni 2017, V-N 2017/34.12 (waarover nader in paragraaf 12.2.7.3), was na verwijzing alleen nog de hoogte van de boete in geschil (zie r.o. 3.4.2). Hof Amsterdam beoordeelde na verwijzing niettemin allereerst of het bewijs van het begaan van het beboetbare feit wel was geleverd (zie over deze ambtshalve toetsing nader paragraaf 12.4.1.3). Daarbij sloot Hof Amsterdam zich weliswaar aan bij de eerder door Rb Den Haag en Hof Den Haag gegeven bewijsoordelen, maar uit de bewoordingen volgt dat Hof Amsterdam zich daarover wel degelijk een zelfstandig oordeel had gevormd.
Dat dit ook voor de bewijswaardering in boetezaken geldt, blijkt bijvoorbeeld uit punt 7 van de Conclusie van A-G Niessen bij HR 14 maart 2008, BNB 2008/144, V-N 2008/16.3, NTFR 2008/547 (BPM), alsmede uit de daarop volgende beslissing van de Hoge Raad. Vgl. ook de noot van Thomas bij EHRM 10 september 2002 (Allen), FED 2003/589, punt 14, en de verwijzing aldaar naar HR 7 december 2001, FED 2002/228.
Zie paragraaf 7.3.9.4.
Denk aan zinsneden als: ‘kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst’ en ‘is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd’. Zie voor een voorbeeld HR 23 januari 2009, BNB 2009/81, V-N 2009/8.6, NTFR 2009/261 (r.o. 3.3).
Bij de keuze, weging en waardering gaat het in essentie om een oordeel over de geloofwaardigheid van de gepresenteerde bewijsmiddelen. Dat is in de boetesfeer op zichzelf niet anders dan in de sfeer van de heffing. Wel is de oordeelsvorming in boetezaken nader ingekaderd. De geloofwaardigheid van de bewijsmiddelen moet voor wat betreft het bewijs van de centrale stellingen behoorlijk krachtig zijn. Naar nationaal recht is immers vereist dat de rechter ‘beyond reasonable doubt’ overtuigd raakt dat het beboetbare feit daadwerkelijk is begaan.1 De onschuldpresumptie brengt met zich dat de boeteling steeds het voordeel van de twijfel dient te krijgen.2 De overtuiging die de rechter moet hebben, mag dus geen ruimte voor redelijke twijfel laten: het moet voor de rechter redelijkerwijs ondenkbaar zijn dat de boeteling het beboetbare feit niet heeft begaan. Die overtuiging moet zijn gebaseerd op zijn eigen keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen.3
De Hoge Raad heeft marginale toetsing ten aanzien van de vraag of terecht een boete is opgelegd expliciet verboden.4 De rechter toetst ‘in volle omvang’ en oordeelt daarom geheel zelfstandig of de boete terecht is opgelegd.5 Ook de Awb-wetgever heeft uitdrukkelijk onderkend dat er een zogenoemde ‘volle’ toetsing van het bewijs van de centrale stellingen moet plaatsvinden.6 Deze volle toetsing houdt onder meer in dat de rechter volkomen vrij is in de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen. Een eigen verklaring van de boeteling kan daarom in een voorkomend geval doorslaggevend (tegen)bewijs vormen, maar evenzogoed als volstrekt ongeloofwaardig terzijde worden geschoven.7 Ook als de boeteling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, staat het de rechter geheel vrij om geloof te hechten aan de ene of juist aan de andere verklaring.8
De vrijheid in de keuze, weging en waardering gaat zo ver, dat belastingrechter zich zelfs niet hoeft te conformeren aan het oordeel dat een andere rechter, zoals de strafrechter, omtrent die bewijsmiddelen heeft gegeven, ook niet als die strafrechter tot een vrijspraak is gekomen.9 Sterker nog, de belastingrechter moet zelfstandig en met toepassing van het fiscale procesrecht beoordelen welke feiten in fiscalibus als vaststaand kunnen worden aangenomen.10 Dientengevolge is hij daarbij niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter, ook niet als dat oordeel ziet op hetzelfde feitencomplex.11 Overigens is ook de strafrechter volgens het Nederlandse strafrecht vrij in de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen.12
De belastingrechter die bij zijn oordeelsvorming bewijsmiddelen betrekt die een rol hebben gespeeld in een strafzaak, zal er wel steeds op moeten letten dat hij niet en passant de onschuldpresumptie frustreert.13 Dat laatste kan bijvoorbeeld gebeuren als hij door zijn optreden ter zitting of door het gebruik van onzorgvuldige formuleringen in de uitspraak, twijfel oproept over de juistheid van het oordeel van de strafrechter.14 Dat gevaar ligt met name bij een strafrechtelijke vrijspraak op de loer. Uitgaande van een nauwkeurig op de delictsomschrijving toegeschreven tenlastelegging, betekent een vrijspraak immers dat is komen vast te staan dat het bewijs van het plegen van het strafbare feit – naar strafrechtelijke maatstaven – niet is geleverd. Als de bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving (vrijwel) gelijk zijn aan de centrale stellingen van de fiscale bestuurlijke boetebepaling, vraagt een verschillende uitkomst uiteraard om een verklaring.15 Die verklaring kan zijn gelegen in minder strenge bewijsregels of in de aanwezigheid van aanvullend bewijs.16 Zo gelden er op grond van het negatief-wettelijk bewijsstelsel in het strafrecht strengere eisen ten aanzien van bijvoorbeeld de toegelaten (‘wettige’) bewijsmiddelen dan in het fiscale recht (waar de vrije bewijsleer de norm is).17 Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin de fiscale figuur van de omkering van de bewijslast van toepassing is en de inspecteur dus kan volstaan met een redelijke schatting.18 De verklaring kan in de fiscale boetesfeer19 echter niet zijn gelegen in de vereiste bewijsgradatie, aangezien voor het bewijs van de centrale stellingen (net als in het strafrecht) de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ is vereist.20
De onschuldpresumptie verhindert dus op zichzelf niet dat in fiscalibus feiten bewezen worden verklaard waarvan de verdachte eerder strafrechtelijk is vrijgesproken. Evenmin bewerkstelligt de onschuldpresumptie dat feiten uit een strafrechtelijk onderzoek dat niet heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling in fiscalibus buiten beschouwing moeten blijven.21 Ook kunnen cijfermatige opstellingen en conclusies, afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek dat is uitgemond in een vrijspraak, bruikbaar zijn voor de onderbouwing van belastingaanslagen.22 Het spreekt overigens voor zich dat er veel minder snel problemen ontstaan als de belastingrechter zich min of meer aansluit bij (het dossier dat aanleiding gaf tot) een eerdere veroordeling door de strafrechter.23
Het voorgaande betekent dat de onschuldpresumptie zoals die in een strafzaak heeft gegolden, zijn schaduw vooruit kan werpen naar een andere zaak (bijvoorbeeld een belastingzaak), waarin het bewijs of het oordeel uit de eerdere strafzaak een rol speelt.24 Het gaat dus om de doorwerking van de onschuldpresumptie vanuit de eerdere (strafrechtelijke) procedure naar de latere (fiscaalbestuursrechtelijke) procedure.25 In die latere procedure kan de bescherming van de onschuldpresumptie uit de eerdere procedure worden ingeroepen.26
Dat laat onverlet dat de belastingrechter, mits gemotiveerd,27 kan afwijken van het oordeel van de strafrechter.28 De belastingrechter is zelfs niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter over de vraag of er sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.29 Wel moet de belastingrechter, wanneer hij afwijkt van het oordeel van de strafrechter daaromtrent, die afwijking motiveren.30 Bij dit alles maakt de Hoge Raad overigens geen onderscheid tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete.31
De belastingrechter die moet oordelen over een bepaald feitencomplex is ook niet gebonden aan het oordeel dat zijn collega-belastingrechter heeft gegeven over (aspecten van) datzelfde feitencomplex.32
Uit de vergaande vrijheid die de feitenrechter bij de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen heeft, volgt dat de bewijswaardering in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.33 Alleen wanneer de bewijsmotivering onbegrijpelijk is, kan de Hoge Raad ingrijpen.34 De Hoge Raad toetst slechts (zeer) marginaal, hetgeen doorgaans goed uit de gebezigde formuleringen valt op te maken.35