RvdW 2026/235:Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art. 300 lid 2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht en (putatief) noodweer, art. 41 lid 1 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Volgens hof is het gelet op de door verdachte bij hof afgelegde verklaring niet aannemelijk dat hij aangeefster sloeg omdat er sprake zou zijn van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin van dreiging daartoe. Daarbij gaat hof er gelet op verklaringen van verdachte vanuit dat hij sloeg ‘omdat hij vond dat aangeefster hem provoceerde en niet uit zijn kamer wilde gaan’. Met deze overwegingen brengt hof in voldoende mate tot uitdrukking dat door verdediging aangevoerde feitelijke toedracht van klap het beroep op noodweer niet kan doen slagen. Van een voor meerdere uitleg vatbare overweging is zodoende geen sprake. In ’s hofs overwegingen besloten liggend oordeel dat door verdachte gestelde provocatie door aangeefster en het door haar niet uit kamer willen gaan, niet dergelijke aanranding oplevert, is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordeel dat opzettelijke uithaal om genoemde reden haaks staat op situatie waarin kan worden gesproken van verontschuldigbare dwaling aan zijde van verdachte over bestaan van ‘aanranding’ a.b.i. art. 41 Sr. Verwerping van beroep op (putatief) noodweer is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.