Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.11.3
2.11.3 Tegenbegroting
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De alternatieve begroting werd als noot bijgevoegd bij de handelingen. Zie Handelingen II 1965/66, p. 242. Zie verder Vellenga 1986, p. 186.
Zie bijvoorbeeld de tegenbegrotingen van CDA, D66 en PvdA na de indiening van de begrotingswetsvoorstellen voor 2006, Kamerstukken II 2005/06, 30 300, nr. 4, 5 en 35.
Vellenga 1986, p. 187.
Bijvoorbeeld tijdens het begrotingsdebat over de begroting voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Handelingen II 2015/16, item 26, nr. 31 en tijdens de algemene financiële beschouwingen, Handelingen II 2015/16, item 4, nr. 8.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 337.
Zoals ook minister-president Rutte stelt tijdens de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2012, Handelingen II 2011/12, p. 3465. Zie ook de algemene politieke beschouwingen in 2014 waarbij minister-president Rutte afzonderlijk ingaat op alle ingestuurde tegenbegrotingen, Handelingen II 2014/15, item 6, nr. 3.
Zie voor voorbeelden Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 337.
Zie onder andere de vragen die de Eerste Kamer heeft gesteld aan het CBP over de modellen die het hanteert, Kamerstukken I 2015/16, 34 302, nr. P. Zie daarnaast onder andere het pleidooi in het NRC Handelsblad om niet alleen maar af te gaan op de berekeningen van het CPB. A. Boot en S. Phlippen, ‘Computermodellen hebben stevige beperkingen. Vaar niet blind op het CPB’, NRC Handelsblad 11 september 2012. In de Volkskrant verschenen begin 2016 meerdere artikelen over de rol van het CPB. Zie ook ‘Politici morrelen aan macht Planbureau’, Volkskrant 30 maart 2016.
Een ander fenomeen in de begrotingspraktijk dat aandacht verdient is de tegenbegroting. De eerste tegenbegroting werd gepresenteerd in 1965.1 Tegenbegrotingen worden veelal door oppositiepartijen in de Tweede Kamer gepresenteerd rond Prinsjesdag, waarin de partijen alternatieven aanreiken aan het kabinet voor het (financieel) beleid. De tegenbegrotingen worden per brief ‘ingediend’.2 Wijzigingen van de begroting kunnen echter alleen via amendementen worden gerealiseerd. In de tegenbegroting doet een partij concrete voorstellen hoe het geld op een alternatieve manier kan worden besteed: ‘cijferwerk tegenover cijferwerk’.3 De tegenbegroting heeft geen vaste vorm en kan zowel per departement als voor het hele beleid een strategie uiteenzetten. Hoewel de tegenbegrotingen regelmatig in de begrotingsdebatten worden aangehaald, 4zijn ze volgens Bovend’Eert en Kummeling vooral te beschouwen als een ‘bijzondere manier van zich politiek profileren door de oppositie’.5 De auteurs wijzen er echter wel op dat het wel eens is voorgekomen dat een kabinet in latere jaren elementen uit de tegenbegroting heeft overgenomen. Als de tegenbegroting wordt doorgerekend door het CPB voor de economische effecten biedt dit alternatief reëel vergelijkingsmateriaal voor het kabinet.6 In de politieke praktijk worden de tegenbegrotingen over het algemeen dan ook pas serieus genomen als ze zijn doorgerekend door het CPB.7
Overigens wordt er bij de grote rol die het CPB speelt bij de doorrekeningen en de daarbij gebruikte modellen de laatste jaren vanuit meerdere hoeken – niet in de minste plaats ook door de Kamerleden zelf – vraagtekens gezet.8 De parlementaire onderzoekscommissie Breed welvaartbegrip pleit er in haar onderzoeksrapport dan ook voor om naast het bbp – dat een cruciale indicator is en blijft om de omvang van de economie in kaart te brengen – ook gebruik te maken van andere, immateriële, factoren zoals kwaliteit van leven en welzijn.9