Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3
2.3 De doorwerking van het Unierecht in het nationale recht
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496947:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Het primaire Unierecht fungeert daarmee in wezen als toetsingskader voor het secundair Unierecht. Deze toets zal ik in mijn onderzoek niet aanleggen. Ik neem tot uitgangspunt dat de in deze studie te bespreken bronnen van secundair Unierecht in overeenstemming zijn met het primaire Unierecht.
Daar waar lagere rechters de mogelijkheid hebben tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing is de hoogste rechter (in Nederland: de Hoge Raad) hiertoe verplicht (art. 267 VWEU). Deze verplichting bestaat echter niet indien de opgeworpen vraag niet relevant is, er geen twijfel kan bestaan over de uitleg van een richtlijnbepaling (acte clair) of als het HvJ zich al eerder heeft uitgelaten over de uitleg van de betreffende bepaling (acte éclairé). Zie in dat verband HvJ 6 oktober 1982, nr. C-283/81, BNB 1982/312 (Cilfit), r.o. 21.
HvJ 2 juni 1994, nr. C-30/93, Jur. 1994, p. I-2305 (AC-ATEL Electronics Vertriebs), r.o. 21.
Dit neemt niet weg dat in de btw ook andere bronnen een rol spelen. Zo worden er talloze besluiten genomen, welke veelal zijn gericht aan de individuele lidstaten, bijvoorbeeld omdat een lidstaat gebruik wilt maken van een derogatiebepaling (vgl. art. 395 Btw-richtlijn). Ik laat deze bronnen in dit onderzoek buiten beschouwing.
Naar mijn beste weten is het hierna in paragraaf 3.3.6.2.1 te bespreken Enzo di Maura-arrest (HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753) een van de eerste btw-zaken waarin het Handvest EU (door de A-G van het HvJ) is aangehaald.
De bronnen van het Unierecht kunnen worden onderverdeeld in primaire bronnen (primair Unierecht) en secundaire bronnen (secundair Unierecht). Tot het primair Unierecht behoren de verdragen van de EU, het internationaal publiek recht en de algemene rechtsbeginselen. In het VWEU hebben de instellingen van de EU (zoals de Raad en de Europese Commissie)1 bepaalde bevoegdheden toegekend gekregen om bepaalde rechtshandelingen te kunnen nemen, waarvoor zij op grond van art. 288 VWEU verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen kunnen vaststellen. Omdat deze bronnen hun grondslag vinden in het primair Unierecht worden zij ook wel aangeduid als secundaire bronnen.2 Uitgangspunt is steeds dat het secundair Unierecht in overeenstemming is met het primair Unierecht. Daaruit vloeit voort dat het secundair Unierecht zo veel mogelijk in het licht van het primair Unierecht moet worden uitgelegd.3 Hierbij is een bijzondere rol weggelegd voor het HvJ,4 die op grond van art. 263 en art. 267 VWEU de wettigheid van bovenbedoelde wetgevingshandelingen kan nagaan. Ook bij twijfel over de uitleg van het Unierecht kan het HvJ worden geraadpleegd. Een nationale rechter dient zich in dat geval voor een prejudiciële beslissing te wenden tot het HvJ.5 Het HvJ zal de betreffende richtlijnbepaling dan uitleggen overeenkomstig de bewoordingen, de context en de doelstellingen van de betrokken regeling.6 Hierbij zal het HvJ rekening houden met de algemene rechtsbeginselen van het Unierecht.
Zoals we in voorgaande paragraaf al zagen zijn voor de btw met name richtlijnen en verordeningen interessant.7 Het btw-stelsel ligt hierin immers nadrukkelijk verankerd. Voor dit onderzoek is vooral de Btw-richtlijn relevant; de Btw-verordening raakt de in dit onderzoek centraal staande problematiek niet. Vandaar dat ik me hierna beperk tot een analyse van het karakter van Btw-richtlijn, in het bijzonder de wijze van doorwerking van de Btw-richtlijn in het nationale recht (paragraaf 2.3.1). Vervolgens besteed ik aandacht aan een aantal rechtsbeginselen die een rol spelen bij de uitleg van het btw-systeem (paragraaf 2.3.2) en ga ik (volledigheidshalve) in op de betekenis van het Handvest EU (paragraaf 2.3.3), dat langzaam maar zeker een belangrijke rol lijkt op te eisen in de beoordeling van btw-geschillen (ook daar waar het art. 90 Btw-richtlijn betreft)8. In deze paragrafen zal de rol van het HvJ (derhalve) niet onbesproken blijven. Paragraaf 2.3.4 staat in het teken van de normatieve waarde van het Unierecht. Met het oog op de centrale vraagstelling van dit onderzoek (paragraaf 1.3), in het bijzonder de wens om een oordeel te vormen over de geldigheid van het nationale recht, is het belangrijk om hierbij nadrukkelijk stil te staan. Ik sluit in paragraaf 2.3.5 af met een tussenconclusie.
2.3.1 Het karakter van de Btw-richtlijn(en)2.3.2 Rechtsbeginselen2.3.3 Het Handvest EU2.3.4 De normatieve waarde van het Unierecht2.3.5 Tussenconclusie verhouding Unierecht – nationaal recht