Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.5.2
10.3.5.2 Verbintenissen uit onrechtmatige daad
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575230:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Voor bijvoorbeeld geschillen betreffende de exploitatie van een filiaal, een agentschap of een andere vestiging, trustverhoudingen en hulp- en bergloon bestaan er alternatieve fora. Daarnaast zijn er exclusieve fora betreffende geschillen over onder meer de geldigheid, nietigheid of ontbinding van vennootschappen en rechtpersonen (art. 22 sub 2 EEX-Vo) en de registratie of geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid etc. (art. 22 sub 4 EEX-Vo). Zie voor een uitgebreidere behandeling Strikwerda 2005, nr. 241 e.v.
HvJ EG 30 november 1976, zaak 21/76 (Bier/Mines de Potasse d'Alsace), Jur. 1976, p. 1735, NJ 1977, 494 m.nt. JCS. Het HvJ EG motiveert deze beslissing door er op te wijzen dat (r.o. 17): 'gelet op de nauwe betrekking tussen de voor elke aansprakelijkheid noodzakelijke elementen, het niet geraden voorkomt te kiezen voor een van de beide genoemde aanknopingspunten met uitsluiting van de andere, daar elk hiervan naar gelang van de omstandigheden een bijzonder nuttig uitgangspunt kan vormen voor de bewijslevering en de procesvoering.' Het HvJ EG wil vermijden dat, in geval de laedens zijn woonplaats heeft in de Staat van de veroorzakende gebeurtenis, een zogenaamde versmelting zou plaatsvinden van de bevoegdheden die zijn voorzien in de art. 2 EEX-Verdrag en 5 sub 3 EEX-Verdrag. De aanwijzing van alleen het intreden der schade zou volgens het HvJ EG tot gevolg hebben dat (r.o. 21): 'in gevallen waarin de plaats van de veroorzakende gebeurtenis niet dezelfde is als de woonplaats van de aansprakelijke persoon, een nuttige aansluiting bij de bevoegdheid van een rechter in de naaste nabijheid van de oorzaak der schade zou zijn uitgesloten.'
HvJ EG 19 september 1995, zaak C-364/93 (Marinari), Jur. 1995, p. 1-2719, NJ 1997, 52.
HvJ EG 19 september 1995, zaak C-364/93 (Marinari), Jur. 1995, p. 1-2719, NJ 1997, 52. Zie ook HvJ EG 11 januari 1990, zaak C-220/88 (Dumez France/Hessische Landesbank), Jur. 1990, p.1-49, NJ 1991, 573 m.nt. JCS. In Dumez ging het om een indirect gelaedeerde (moedermaatschappij) terwijl het in Marinari ging om een direct gelaedeerde.
In de preambule van de EEX-Vo wordt het belang van de waarborging van de continuïteit tussen het verdrag en de verordening onderstreept. Zie de preambule onder 19. De rechtspraak van het HvJ EG betreffende het EEX-Verdrag behoudt zijn betekenis voor de uitleg van de EEX-Vo voor zover de EEX-Vo niet afwijkt van het EEX-Verdrag. Zie Strikwerda 2005, nr. 231.
Vgl. Basedow 2007, p. 250.
HvJ EG 7 maart 1995, zaak C-68/93 (Shevill/Presse Alliance), Jur. 1995, p. 1-415, NJ 1996, 269 m.nt. ThMdB. In HvJ EG 27 september 1988, zaak 189/87 (Kalfelis/Schrtider), Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990, 425 m.nt. JCS heeft het HvJ EG besloten dat de rechter die ex art. 5 sub 3 EEX-Vo bevoegd is om kennis te nemen van het op onrechtmatige daad gebaseerde deel van de vordering daarmee nog niet bevoegd is van andere onderdelen van de vordering (onderdelen die niet op onrechtmatige daad zijn gebaseerd) kennis te nemen. De meest efficiënte oplossing om het instellen van vorderingen bij rechters van verschillende lid-staten te voorkomen, is de vordering ex art. 2 EEX-Vo aan te brengen bij de rechter van de woonplaats van de verweerder. Zie Strikwerda 2005, nr. 239.
Zie bijvoorbeeld Commission St aff Working Paper, Annex to the Green Paper on Damages actions for breach of the EC antitrust rules, SEC (2005) 1732, nr. 267.
HvJ EG 7 maart 1995, zaak C-68/93 (Shevill/Presse Alliance), Jur. 1995, p. 1-415, NJ 1996, 269 m.nt. ThMdB.
Zie Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 5 EEX-Vo, aant. 17.
Strikwerda 2005, nr. 239.
Bij verbintenissen uit onrechtmatige daad is op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo alternatief bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen (locus delicti).1Het HvJ EG heeft de vraag hoe de locus delicti moet worden vastgesteld als het Handlungsort (de plaats van handeling) en het Erfolgsort (de plaats waar de schade is ingetreden) uiteenlopen, beantwoord door te bepalen dat de fora van beide plaatsen alternatief bevoegd zijn, dit ter keuze van de eiser (Kalimijnen).2Het Erfolgsort moet volgens het HvJ EG beperkt worden opgevat. Het Erfolgsort omvat niet iedere plaats waar de schadelijke gevolgen van het feit voelbaar zijn, doch uitsluitend de plaats waar de daadwerkelijke aantasting van lijf of goed van de eiser heeft plaatsgevonden.3 In Marinari heeft het HvJ EG bepaald dat het begrip 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' niet ziet op de plaats waar de gelaedeerde stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een door hem geleden, in een andere verdragsluitende staat ingetreden aanvankelijke schade.4 De bij een meervoudige locus bestaande keuze tussen de rechter van het Handlungsort en de rechter van het Erfolgsort bestaat niet indien de schending van het mededingingsrecht in het ene land is gepleegd (in welk land de aanvankelijke schade ook is ingetreden) en de schade als gevolg van de schending van het mededingingsrecht pas in een ander land voelbaar wordt (bijvoorbeeld het land waar het hoofdkantoor of de moedermaatschappij van een onderneming staat). De keuze bestaat alleen ingeval de daad in de ene lidstaat is gepleegd en de schade in een andere lidstaat ontstaat. Deze rechtspraak van het HvJ EG betreffende het EEX-verdrag behoudt zijn gelding onder de huidige EEX-Vo.5
De locus delicti omvat in zaken betreffende schending van het mededingingsrecht zowel de plaats waar de mededingingsbeperkende gedraging is overeengekomen (Handlungsort) als de plaats waar de mededingingsbeperkende gedragingen zijn geïmplementeerd (kan zowel het Handlungsort als het Erfolgsort zijn).6
In mededingingsrechtelijke zaken waarbij schadevergoeding wordt gevorderd, is het mogelijk dat de schade van een mededingingsinbreuk intreedt in meerdere landen. Er is dan niet meer sprake van één Erfolgsort. Eiser kan zijn vordering dan niet alleen instellen bij het forum rei en de rechter van het Handlungsort, maar ook bij de rechters van de verschillende plaatsen waar de schade is ingetreden. Het HvJ EG heeft echter in Shevill, een zaak betreffende een onrechtmatige perspublicatie, beslist dat de rechters van de verschillende plaatsen waar de schade is ingetreden slechts bevoegd zijn kennis te nemen van de vordering tot verkrijging van vergoeding van de schade die in het land van de aangezochte rechter is geleden.7 Verdedigd zou kunnen worden dat deze uitspraak ook bij andere verbintenissen uit onrechtmatige daad geldt.8 De gelaedeerde van een mededingingsinbreuk die zijn schade vergoed wil krijgen, dient in dat geval bij het aanhangig maken van een zaak ter verkrijgen van schadevergoeding rekening te houden met de Shevill uitspraak van het HvJ EG.9 De rechter van het Handlungsort is bevoegd van de volledige vordering kennis te nemen, dat wil zeggen van alle schade in welke lidstaat dan ook geleden. De rechter van het Erfolgsort is slechts bevoegd om van de vordering van in dat land geleden (ingetreden) schade kennis te nemen. Ingeval de volledige schade is geleden in het land van de aangezochte rechter dan doen zich geen problemen voor. Is echter een deel van de schade geleden buiten het land van de aangezochte rechter, dan kan het efficiënter zijn de zaak aanhangig te maken bij het forum rei of de rechter van het Handlungsort. Zo wordt voorkomen dat de gelaedeerde in meerdere lidstaten een procedure aanhangig moet maken om zijn volledige schade vergoed te krijgen. Een ruime uitleg van de Shevill uitspraak (waarbij wordt uitgegaan van het feit dat Shevill niet alleen van toepassing is op onrechtmatige perspublicaties en de concrete omstandigheden van dat geval maar ook op schendingen van het mededingingsrecht en andere onrechtmatige daden) is dan ook bezwaarlijk voor de geleaedeerde(n) en kan een belemmering vormen voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Het is, mede gelet op de procesefficiëntie, de vraag waarom niet iedere rechter van het Erfolgsort bevoegd is kennis te nemen van alle geleden schade die veroorzaakt is door een schending van het mededingingsrecht.
Artikel 5 sub 3 EEX-VO is ook van toepassing indien een verbod van het handelen in strijd met de mededingingsregels wordt gevraagd.10 Bij een dreigende inbreuk op het mededingingsrecht kan artikel 5 sub 3 EEX-VO ook worden toegepast, nu artikel 5 sub 3 EEX-VO een uitdrukkelijke bevoegdheid toekent aan de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich kan voordoen. In het EEX-verdrag ontbraken de woorden 'of zich kan voordoen'. Uit deze woorden wordt duidelijk dat artikel 5 sub 3 EEX-Vo ook van toepassing is in een procedure waarin een verbod van een dreigende onrechtmatige daad gevraagd wordt.11 Zie voor het kort geding § 10.3.7.